maandag 22 maart 2010

Jan

Gisteren speelden we in Lübeck

Moe en gelukkig zat ik na afloop

in het hotel

op een makkelijke bank

voor de tv

te kijken naar het journaal.

Twintig minuten narigheid

met daarna iemand die vertelde

dat de lente in de lucht hing.

‘Mooi visweer,’ zou mijn vader zeggen.


Moest zoals zo vaak

aan hem denken.

Dode ouders duiken in alles wat we doen en denken steeds weer op.

Het is onmogelijk hen te vergeten.

Zeker rond zo’n verjaardag.

Mijn autobio staat er vol van.


Soms denk ik: 

hoe zou mijn vader reageren op de gebeurtenissen van vandaag:

de afbrokkeling van zijn sociaalstaat Nederland,

de opkomst van de nieuwe ‘bewegers’,

de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd,

de schandalige verrijking van bankdirecteuren,

de Q-koorts?

Zijn slapen zouden bonzen,

zijn lippen smal worden.

Hij zou actie voeren,

de straat opgaan en demonstreren.

En mijn moeder zou dan vragen:

‘Voor welk café ga je demonstreren, Jan?’

zondag 14 maart 2010

Oud?

Vandaag word ik 65.

Stokoud vond je dat vroeger,

65.

Dan was je bijna dood,

bejaard,

een oude man,

goed voor de sloop.


Hoe anders voelt het.


Oud is de vrouw

die laatst in Leipzig

na afloop van onze voorstelling

eventjes op 4 hoog

een babbeltje kwam maken

en een handtekening vragen

voor een kleinkind in Frankfurt.

95 was ze,

zilver witte haren,

bescheiden opgemaakt,

slank,

helder als water.

Ze maakte grapje na grapje.

“Wel,

tot de volgende keer”, 

zei ze toen ze afscheid nam

en de 4 trappen in de Opera weer afstapte.

Wie wil er niet zo oud worden?


Oud is een relatief begrip.

Wie kent geen mensen die met 25 jaar

al stok zijn,

nauwelijks vreugde hebben in hun bestaan,

zich piekerend door het leven slepen?

Jonge mensen

die nooit kind lijken te zijn geweest?

Herinner me een jongen in de klas

die als beroepsmilitair

in dienst wilde

omdat je in het leger

veel vroeger met pensioen mocht gaan.


Voel me niet oud.

Wel is waar

dat er geen eind komt aan mijn herinneringen.

Met het verslijten van de tijd

worden ze almaar

nauwkeuriger.


Zo herinner ik me van de week,

hoe oud moet ik geweest zijn... 4 jaar...

dat ik voor het eerst op de rug van een paard mocht zitten.

De knol van de groenteboer.

Toen mijn kleinzoon van de week vroeg

of hij op de pony mocht

tilde ik hem op.


En daar kwam dat beeld

van de groenteman,

zijn handen,

zijn geur,

de rug van het paard,

zijn manen.

Hoe dat hele grote dier ademhaalde

kon ik voelen met mijn benen

alsof het gisteren was.


En gisteren...

heb wel een uur gesproken met een man

waarvan ik me met geen mogelijkheid kan herinneren

hoe hij heette en waarover dat gesprek ook alweer ging.

maandag 8 maart 2010

Morgen

Morgen ga ik

vissen,

schrijf ik een dik boek

over meisjes

in de renaissance.


Morgen ga ik

maaien,

schilder ik een doek

over de geur van boterbloemen.


Morgen ga ik 

fietsen,

studeer ik de partita’s

van bovenmeester Bach.


Morgen ga ik

zitten,

staar ik me een plaatje

een beeld van antiopen in het veld.


Morgen 

doe ik de gordijnen open,

zie ik je lopen met de hond,

de dikke voorjaarstakken,

de vogels,

de schapen in het hoge gras.


Morgen ga ik zonder jas naar buiten,

hoor ik de trein naar Utrecht

waar ik,

toen er nog paard en wagens reden,

ooit een schoffie was.


Morgen ga ik

zingen,

timmer ik een trap,

leer ik vliegen over zeeën,

roep ik

net als Dikkertje Dap

’s morgens vroeg om kwart over zeven:

'Raai eens wat ik heb gekregen:

zoveel zonnestralen,

dikke vlokken,

onweer, regen...

morgen sta ik paf.'

maandag 1 maart 2010

Gelooft u mij

In de lobby van het statige Zuid Duitse hotel

wachten in comfortabele stoelen

sommige dames

op mogelijke klanten.

Hoe oud ze zijn is niet te raden,

elk getal tussen 30 en 60

zou kunnen kloppen.

“Gelooft u mij, ze zijn duur,”

vertelde de taxichauffeur me zojuist.


Ik kan me niet voorstellen

dat de vrouw waar ik nu naar kijk

te huur zou zijn.

Ze draagt een donker mantelpakje

waaronder een luchtige witte blouse,

hoge hakken,

de benen in doorzichtige zwart gestoken,

haar rok misschien iets te kort.

Ze slaat haar benen

eeuwig langzaam

over elkaar,

buigt voorover

om iets zoets van een schoteltje te halen.

Even zie ik de welving van haar borsten.

Als ze recht gaat zitten 

kijkt ze me aan,

glimlacht,

veegt dan met haar pink

een ondeugend krulletje

van haar voorhoofd,

pakt haar cellphone uit haar tasje

en begint zacht te praten

met iemand die ervoor zorgt

dat haar prachtige gezicht

ernstig kijkt.


Een man komt door de draaideur de lobby binnen,

zoekt met zijn ogen,

loopt tevergeefs een rondje,

gebaart naar de vrouw in haar mantelpakje

of de stoel naast haar vrij is.

Ze knikt,

hij gaat zitten.

De vrouw klapt haar cellphone dicht,

de man spreekt haar zacht aan.

Kan niet horen wat ze zeggen.

Onderhandelen ze?

Neemt hij haar mee naar ergens

of blijven ze in het hotel?

Ze lachen.


Door de draaideur komt nu een meisje

met om haar schouders een rugzak.

In haar vrolijke rode jas huppelt ze op de vrouw af.

“Mama,’ zegt ze

en daarna iets onverstaanbaars.

De vrouw staat op,

knikt naar de man,

doet haar mantel aan,

loopt hand in hand met haar dochter het hotel uit.

Kan het niet verklaren

maar iets in mij

is opgelucht.

maandag 22 februari 2010

Koning Voetbal

De beste spelers uit alle staten,

koninkrijken,

komen deze vroege zomer

naar het Afrikaanse land

om te strijden om de Wereldcup.

Krottenwijken langs de wegen

moeten worden afgebroken

omdat, zo lees ik in de krant

het geen gezicht is

en het toch al voor de hand lag.

Eters en slapers

noemen ze de ontelbare zielen

die daar schuilen

in vaak niet meer dan dozen,

de nuttelozen

in de ogen voor wie het louter gaat om winst.

Daarom moeten zij creperen

met honderdduizenden.

Ziektes, honger, doodslag,

zo was het, zo is het altijd nog.


In uniform

kwamen mannen,

de zwarte Kezen en de Jannen

met ploertendoders

zonder pardon,

als hyena’s midden in de nacht.

Op wie-probeerde-zijn-spullen-toch-uit-huis-te-halen

hebben zij geschoten.

De kinderen gilden,

de vrouwen huilden,

zo lees ik in die krant.


Kun je in zo’n land

waar ook nog elke dag

wel 900 mensen sterven

alleen aan aids,

zo’n voetbalfeest wel vieren

vraag ik me af.

Spelen om zo’n gouden kalf,

winnen tot elke prijs

terwijl overal omheen

verdriet is om verliezen.

maandag 15 februari 2010

De laatste sneeuw

Op het vierkante glazen schaaltje

liggen broederlijk een mandarijn, een peer,

een trosje druiven, een appel en drie chocolade koekjes

waartussen een wit dubbelgevouwen kaartje zit,

waarop staat, dat Ernst-Friedrich en Sylvia von Kretschmann

mij hartelijk welkom heten in hun leading small hotel

Europäische Hof

met vijf sterren in Heidelberg.

Seit 1865.

Het smakelijke stilleven op de glazen tafel

verdwijnt in mijn maag.

Begeleid door een trocken Riesling van Heppenheimer.

Vanavond speelden en zongen wij

in het waarlijk prachtige Kongresshaus

in deze nu besneeuwde roemruchte Duitse stad,

ter gelegenheid van het op één na oudste chanson-Fest van Duitsland,

waarvan ik de eer heb Schutzherr te zijn.


De witte wijn doet zijn slopende werk.

Als de peer als laatste verdwenen is,

zijn mijn grijze cellen in voorslaap.

Doen mij het leven wat rooskleuriger zien.

Een zekere mildheid bedekt de bange en gelukkige herinneringen

van de laatste tijd.

In de nadronk schuilt iets van een prille lente.


Iets dat ik ook zag

toen ik gisteren weg reed van huis

over het pad langs de besneeuwde wilgen.

De takken worden onmiskenbaar dikker.

We gaan het niet meer kunnen tegenhouden.

De dagen worden langer,

de nachten korter.

De kilheid voorbij.

De zon gaat komen

om onze harten te verwarmen.

Ema is zwanger.

maandag 8 februari 2010

Als een levende ansichtkaart

Zonnestralen breken

door laaghangende wolken 

en werpen hun licht

op besneeuwde hellingen.

Kinderen stuiven joelend

van vrolijke angst

in hun felgekleurde sleetjes

naar beneden 

en komen tot stilstand 

tot bij de hoge dennenbomen.


Twee reeën, 

achterna gezeten door een tekkel,

zoeken een veilig heenkomen

in het bos wat hoger op de berg.

Diep beneden in het dal 

ligt de grote stad

als een warme sjaal

om het nu ijzige meer.

Geluiden van toeterende auto’s en treinen 

dwarrelen omhoog naar mijn raam.


Op de vensterbank

ligt zo’n vijf centimeter verse sneeuw.

Heb zojuist visite gehad 

van een duif die met een schuin kopje 

naar binnen keek en knipoogde,

daarna wat heen en weer stapte 

en er toen vandoor vloog


zonder nog een woord te koeren

of met haar snavel 

op het raam te tikken.


Haar pootafdrukken

hebben in de sneeuw 

een tekening gemaakt van een gezicht,

zo lijkt het wel.

Een lachende man met een baard.

Met een beetje fantasie 

kan ik Sigmund Freud herkennen.

Wat duiven in hun mars hebben…


Toeval of niet:

even later zie ik in de Zwitserse krant 

een foto van dezelfde Sigmund Freud,

een gezette streng kijkende man.

Hij staart me vanaf de pagina 

met vijf collega’s aan.

Ik probeer zo serieus mogelijk terug te kijken.

Geen idee wat die wijze mannen van me denken.


Dat komt nog wel.

We kunnen immers al 

zwart-wit films in kleuren vertalen.

Je hoeft alleen maar het rood 

van het stoplicht in te voeren

om te weten welke kleur al dat andere heeft.

Zo zal het ook ooit mogelijk worden 

foto’s tot op zekere hoogte

tot leven te laten komen.

Warmte is energie,

energie heeft een kleur.

We weten dus door de grijstinten

waar de mannen op de foto vandaan kwamen

en nadat de foto gemaakt is, naar toe gingen.

Je kunt dan dus een foto vertalen 

tot zeg maar drie minuten bewegend beeld.


Sigmund Freud fronst nu,

krabt aan zijn slaap.

Ik zie hem denken:

welke dwaas kijkt mij zo aan?

dinsdag 2 februari 2010

Goedenavond

'Goedenavond,'

zegt de man van het journaal.


Aardbeving,

verbinding met de wereld verbroken.

We zien een shot

een vrouw roept iets tegen de nacht

geen mens zal weten wat.

De natie is geschokt.

 

Het volgende bericht,

een bermbom in Afghanistan,

een Nederlandse soldaat op een fiets

en dan iets

over bankpasjesdieven en junkies

een berichtje over banken

de doofpot is vol,

de kogel is weer eens door de kerk.

 

Ik heb een kaars gebrand

een momentje stil gestaan

in lege duisternis,

zo’n ding van was

dat verlichting brengt

in onze harten.

 

Ben naar huis gegaan

alles gaat toch verder

moeite, twijfels, angsten,

het is een zoektocht

naar warmte en naar tederheid.

De geschiedenis is makkelijk

te voorspellen.

 

Morgen,

gaat het verder

alsof wij zouden weten

wat te vroeg is

of te laat.

We slepen ons voort

met regen

of schuilen voor een wolkbreuk.

 

En een nieuwe speelse wind

die me veel goeds doet hopen

dwarrelt door de tuin

vele dagen, zonnen, manen

diertjes in de regen

klaver, boterbloemen.

 

Bel me,

mail me,

sms me.

 

Ik mis je.

maandag 25 januari 2010

Toen

Het is niet moeilijk

de geschiedenis te voorspellen.


Een mensenleven geleden

werd de grote oorlog verloren en gewonnen.

Sindsdien was er bijna overal vrede geweest

en kwam er op wat uitzonderingen na

overal een democratisch bestel.

Arme mensen

uit warme landen

vluchtten toen massaal

naar de nieuwe rijke wereld

en waren welkom.


Hoe het precies gekomen was

wist eigenlijk niemand.

Overnacht zakte de wereldhandel

in elkaar.

Miljoenen mensen werden werkeloos.

Er ontstonden bewegingen

die teleurgestelde en woedende burgers vertegenwoordigden.

Weer andere groeperingen 

bliezen, mailden en vloekten

hun digitale verontwaardiging

het wereldwijde web in.

Godsdienstfanaten

beloofden hel en verdoemenis

en vlogen huizen in brand.

Wanhopige zielen zijn gevaarlijk.

De vluchtelingen kregen de schuld.

Driftige mannetjes stonden op,

mannetjes die wisten,

zo beweerden zij,

hoe je dit aanpakken moest.

“Spreek je mijn taal niet

dan eruit.”

"Geloof je niet in mijn God,

dan moet je het zelf maar weten."

"Draag je niet wat ik vind,

dan betaal je maar.”

En veel van hen die het voor het zeggen hadden

dachten:

laat die mannetjes hun gang maar gaan

tieren wat ze willen.

Dat het vanzelf voorbij zou gaan.

Want zij geloofden niet

aan een mensenleven lang geleden,

toen in 1910

en 1933.

maandag 18 januari 2010

Steen voor steen

Ze waren met z’n drieën,

twee zwarte mannen

en een Vlaamse theatermaker.

We ontmoetten elkaar

op het zonnige terras van een 'gasthuis'

in Pretoria, Zuid-Afrika.

Ze wilden met Edith Leerkes en mij praten

over een plannetje voor Soweto,

het grootste 'township' van het Afrikaanse continent.

Ze vertegenwoordigden de non-profit Tsele Creative Society,

een theatergroep die zich vooral bezig houdt met het creëren en uitvoeren

van educatieve straattheaterprogramma's

voor en vaak met kinderen.

Voorstellingen in de Afrikaanse traditie

over dagelijkse gebeurtenissen

als verkrachting, aids en roofpartijen.

Ze wilden ook kunnen spelen als de weersomstandigheden beroerd waren,

een plek met een dak,

een plaats met muren,

een theater,

en vroegen ons om financiële steun.

We maakten een afspraak om te kijken

waar zo'n zaal zou kunnen komen.

Zij stelden voor om af te spreken in White City Jabavu,

een wijk in het hart van Soweto.

Daar waar ooit de zwarte opstand begon.

We beloofden elkaar 

dat theater te gaan bouwen en noemden het The Miracle.

Het zal komen in het al bestaande

en goed gerunde beveiligde Ipelegen Community Center.


We zijn nu zo'n drie jaar bezig

om de zaken zo goed mogelijk in de steigers te zetten,

niet eenvoudig.

Het belangrijkste probleem is niet de bouw van het theater.

Het stapelen van stenen is eigenlijk een peulenschil.

Het echte werk is ervoor zorgen dat het Ipelegen Community Center

een behoorlijk bestuur en management krijgt,

dat de plannen voor meer dan 100% in eigendom heeft 

en ondersteunt en kan ondersteunen,

zodat het centrum en het theater behoorlijk gemanaged gaat worden 

en een succes wordt.


Zorgen voor een goed Miracle management

(financiën en administratie, programmering, marketing,

logistiek, onderhoud en veiligheid),

dat betekent het vinden van bekwame en toegewijde mensen 

en het maken van een realistisch bedrijfsplan

en er vooral voor zorgen

dat de rest van het Ipelegen Center ook een facelift krijgt

zodat het verbouwde theater niet een vlag op een modderschuit wordt.

Het kost tijd.

Soms wil ik dat het sneller gaat dan mogelijk. 

‘IJzer met handen breken, zo gaat dat niet,’

schrijft Harmen Oostra, onze man ter plekke.

‘Dit is een ander land met een verleden dat nog steeds heel erg doorwerkt in het heden

en waar dingen nou eenmaal tijd nodig hebben

en een ander tempo dan in georganiseerd Nederland.’


We hopen dat we voor de WK, al dan niet binnen, toch kunnen spelen.

Mafika, een van de mannen van het eerste uur, zal er dan niet bij zijn.

Hij stierf onlangs nog voor de kracht van zijn leven aan wie zal het zeggen.

Hij zal er in onze harten bij zijn. 

Als, wanneer dan ook, The Miracle geen droom meer is.