Dag 1 in Tongeren
maandag 6 april 2009

Dag 1 in Tongeren

Vergeleken met de theaterzaal in Tongeren

waar we de voorstelling “Een dag in september” in elkaar zetten,

is de Schaapskooi waar we eerder deze week repeteerden

een huiskamer.

Daar was je in twee stappen op je plek,

hier rennen we ons rot.

Karin, de Zuid-Afrikaanse ster in onze cast verzuchtte:

“Ek gaan gewig verloor” (Ik ga afvallen).


We maken deze voorstelling met achttien mensen;

technici, dansers, acteurs, muzikanten.

Het lijkt op werken op een filmset;

veel wachten en 100% aanwezig zijn als het je beurt is.

Afspraken onthouden: links op, rechts af,

zwarte jas, hoed op, hoed af.

Om uiteindelijk met z’n allen een sprookje te vertellen.

Eigenlijk ben ik alleen maar intens aan het genieten.

We hebben een super groep vol open en lieve mensen,

voor en achter de schermen.

Tongeren is prachtig en met Herman en Edith te mogen spelen

is voor mij een jongensdroom die uitkomt.

Iedereen is vastbesloten er een prachtige voorstelling van te maken,

al heet deze repetitieweek dan officieel “een workshop”

en de voorstellingen “try-outs”.

Nu zitten we bij te komen van onze repetitie

en krijg ik de opdracht van verschillende mensen

deze computer nu te gebruiken om op Google in te typen:

“Pizzabezorging Tongeren”.

Er wordt hard gewerkt.

Max

Lam
maandag 6 april 2009

Lam

De zon komt op.

Mist hangt laag boven de polder.

Vogels beginnen te kwetteren.

Een specht drilt in een boom.

Onder de treurwilg krijgt Mama Moeflon een lammetje.

Het gulpt buiten adem, lijkt het, geruisloos op de grond.

Moeder likt het.

Wat herten komen nieuwsgierig snuffelen.

Vader ram blijft op een afstandje.

Zuster moeflon toont geen interesse.


De mist is vervlogen.

De zon straalt.

Het juist geboren lammetje

staat wankelend op zijn hoge pootjes.

Het loopt met voorzichtige hoefjes

door het natte gras.

‘Wie is dat, daar?’ zie je haar denken.

Ze loopt op haar vader af,

ruikt aan zijn achterkant.

Geïrriteerd draait de moeflon ram zich om

en stoot zijn net geboren zoon

met zijn vervaarlijke hoorns

van zich af.

Het beestje vliegt door de lucht

en valt twee meter verder op

duizelig op de grond

Ik denk dat het nooit meer opstaat.

Even later krabbelt het lammetje wiebelig overeind

en wankelt naar de zuster van zijn moeder,

snuffelt in haar kruis,

op zoek naar een tepel.

Ook zijn tante is hiervan niet gediend.

Ze ramt het beest in de flank.

Een kreet.

De boreling stort neer.

Als ze ligt, boort het tanteschaap met haar puntige hoorns

in het tengere lammetjeslijf.

Ik wil over het hek springen

en de beesten gaan schoppen.


Weer staat het lammetje op.

Als een dronkeman wankelt ze nu naar haar moeder.

Die ruikt even aan haar kindje

en graast dan onverschillig verder.

Weer loopt het naar haar vader.

‘Doe dat niet’, roep ik.

Deze keer ramt hij haar vrees ik dood.

Maar nee, ze krabbelt op

en krijgt wederom nu tegelijkertijd

ook nog de hoorns van haar tante in haar buik.


Na ongeveer een uur

en een kapotte onderlip

heeft het lammetje haar les geleerd.

Dat ene schaap, dat haar niet stoot,

is haar moeder.

Heeft melk voor haar

en warme schaduw.


Vijf dagen later.

De zon schijnt.

Een kleine moeflon

bokt vrolijk door de wei.

Haalt het niet meer in zijn hoofd,

om bij zijn vader melk te zoeken.

Hij loopt niet meer zomaar

naar een dier dat hij niet kent.

Laat staan naar die man

bij dat hek

die al dagen staat te kijken.

dinsdag 31 maart 2009

De vrouw zonder hoofd

Op mijn kleedkamer hangt een foto van een standbeeld.


Een uit hardsteen gehakte vrouw,

zonder hoofd zonder handen,

staart met haar afwezige hand in haar zij

naar het grijze Rotterdamse water.


Ze leunt op haar rechterbeen en,

zo denk ik, wacht.

Ze is naakt, heeft stevige borsten,

een bolle buik, krachtige benen.

Ze staat met een voet op een onafgewerkt stuk marmer.


Ja, ze wacht.

Op wie wacht ze en waar is haar hoofd?

Wat is er met haar handen gebeurd?

Hoe lang staat ze daar al?


In ieder geval lang genoeg

om de beeldhouwer in de gelegenheid te hebben gesteld

haar zo in steen te vereeuwigen.


Wacht ze op een zeeman die terug moet komen van zijn reis?

Of op een vriend, die werkt in de fabriek aan de overkant?


Wacht ze op een klant, een schlemiel

om hem voor wat guldens te bevrijden

van de spanning in zijn lijf?


Is ze eenzaam? Overweegt ze te verdrinken?

Hoe heet ze? Waar komt ze vandaan?

Zijn er kinderen? Heeft ze het niet koud?


Ze oogt niet oud.

Ik schat haar midden dertig,

zoals ze zeggen: in de kracht van haar leven.


Twee weken zie ik haar ik staan boven mijn kaptafel.

Onbeweeglijk mooi.


Ze is er als ik van huis kom en in de pauze,

als ik onder de douche vandaan kom en laat na afloop.

Ik praat met haar. Ze zwijgt.

Toch lijkt het wel of ze me hoort.


Als ik morgen voorlopig de laatste voorstelling in Rotterdam zal spelen

zal ik haar, voordat ik de gang op loop, vragen:

“Wachtte je misschien op mij?”

Ik beloof je dat ik terug zal komen.

De koningin
dinsdag 24 maart 2009

De koningin

Een jaar of tien geleden
stond er een man op de stoep,
een zeventiger
in een blauwe overall
op gele klompen met een zwarte pet op,
zo uit een vroeg werk,
– zo leek het wel –
van Van Gogh gestapt.
Hij vroeg of hij een bijenvolkje bij ons op het land mocht zetten
omdat – zo vertelde hij –
je binnen de bebouwde kom
geen bijen meer mocht houden.
Een week later stond op de rand van het bos en de wei
een keurig donkergroen geschilderd bijenhuisje.
Honderden bijen zoemden binnen en buiten.
Met mijn hoofd gestoken in een kap van dun gaasdoek
en met handschoenen aan
mocht ik in het bijendomein kijken.
Een drukte van belang.
Alles vloog en kroop in een logische chaos
door en over elkaar.
Ging de jaren erna regelmatig
met een klapstoel naar het bos
om het bezig volkje te bewonderen.
Mijn eigen mini-vliegveld.
Ingebeeld misschien, maar zag na verloop van tijd
meer en meer bloemen.
‘Nijver’, noemen ze bijen. Terecht.
Voorjaar, zomer, herfst,
ze zoemen dag, in dag uit
onvermoeibaar met hun vruchtbare last naar huis.
Heb de bijenman de laatste tijd niet meer gezien,
voor het laatst zomer verleden jaar.

Vandaag de eerste mooie lentedag.
‘Zijn de bijen al in de weer?’
‘Nee’, zegt mijn tuinvrouw,
‘ik ben bang …’
We gaan kijken,
lichten voorzichtig het deksel.
De zoete geur van honing
ruikt ons tegemoet.
Wat we zien is troosteloos:
louter dode bijen,
gerafelde honing
een slagveld.
Het volkje heeft de strenge winter niet overleefd.
Of is het bezweken aan wat de kranten al voorspelden:
een dodelijke bijenziekte?
We kunnen het de bijen niet meer vragen.

Bijen sterven uit,
stond er van de winter in de krant.
Ik wilde het niet geloven.
Wat moet de wereld zonder bijen?
Met een treurig gevoel in mijn borst
kijk ik naar de dode bewijzen.

We zullen een briefje voor de bijenhouder achterlaten,
dat mocht … laat hem dan even bellen.
Het bijenonderkomen moet weer schoon
en klaar zijn voor een nieuwe koningin.

Weet u er een te wonen?
Mede namens de bloemen in de tuin,
teken ik met hoogachting.

Schoon scherm
maandag 16 maart 2009

Schoon scherm

Ik zie mijn kleinzoon

van maar net zeven jaar oud

geconcentreerd

wippend op de bank

op zijn onderlip bijtend

een reuze spannend computerspel spelen

waarin zijn held

telkens even later

weer verliest en dood gaat.

Hij vindt dat jammer

maar zit er niet echt mee.

Met zijn kleine duim

drukt hij dan op zijn Gameboy.

Zo verschijnt er

op het platte screen

een nieuw beeld,

met nieuwe mogelijkheden

voor zijn blijkbaar gereïncarneerde held.

 

Hoe kun je nu in het dagelijks leven weten

dat er voor onze zielen

ook niet zo’n “nieuw scherm” bestaat?

Ik geloof het niet.

Ben in dat opzicht niet veel anders dan mijn moeder.

Zij geloofde wat ze zag.

Wat ze kon aanraken.

Ruiken.

Koesteren.

Knuffelen.

 

Geloven

is iets anders dan dromen.

Dromen doe ik namelijk wel.

Voor dromen

van zoiets onwaarschijnlijks

als een ander leven,

bestaat een bijzonder woord.

Sommigen noemen dat “hoop”.

De brief
maandag 9 maart 2009

De brief

De zon straalt, de hemel is blauw.
Mijn vrouw veegt
modderig water
van de stoep
dat schittert op de tegels.
Haar schaduw haarscherp reflecterend.
Het geluid van de bezem
wordt door de wind meegenomen.
Ze veegt haar voeten
doet de kraan uit.
Een dennenappel ploft op de grond.
Een ekster schreeuwt.
Wat onbekende vogels tjilpen.
Een ver vliegtuig.
Een man op een terras
schrijft deze woorden op
achterin een boekje
dat het Sinaasappelmeisje heet.

As uit de haard strooit mijn vrouw nu
om net geplante planten.
De wind is gaan liggen.
Een hond blaft.
Een duif koert.
Een vroege vlinder.
Denk aan een zin
die ik zojuist las.
Hoe kun je een rups herkennen
nadat hij is veranderd
in een vlinder?
Ik weet het niet.
Een auto rijdt even verderop
over een grindpad.
Een haan kraait.

Het boekje dat ik lees
gaat over een jongetje.
Hij vindt twaalf jaar na de dood van zijn vader
een aan hem gerichte brief
waarin de vader
zijn zoon
een aantal vragen stelt.
Hoe moet de jongen die beantwoorden?
En naar welk adres mailen?
Of versturen?
Denk ik.
Heb het boekje nog niet uit.
Ben benieuwd naar welk adres
het mannetje, áls hij antwoorden heeft,
ze gaat sturen.
Lees.
Het heeft het heelal ongeveer 15 miljard jaar gekost
voordat het zoiets essentieels als een oog kon fabriceren
waarmee het zichzelf kon zien.
Zolang zal het zeker nog duren
voordat wij God kunnen zien.
Denk ik.

Antwoorden, vragen.
Had mij allang geleden voorgenomen,
maar te zien,
niets anders dan te zien.
Te ruiken en te luisteren
naar het ontzaglijk wonder
waarin ik leef.

Het boekje is uit.
Er kwam geen adres.
De laatste woorden in het boekje zijn:
Lucky you.
Afzender Jostein Gaarder.
Kloon
maandag 2 maart 2009

Kloon

Als je zoals ik je kunstjes in het openbaar vertoont,
in theater, op teevee,
dan kun je er zeker van zijn,
dat mensen je gaan na-apen
in grappenmakersprogramma's,
playbackshows
en look-alike-wedstrijden.

Als je ziet dat mensen je imiteren,
word je zonder mededogen
geconfronteerd met je clichés,
de oppervlakkigheden.
Dat kan soms tot rode wangen leiden.
Zag ooit in een playback-show
een jongetje een oud liedje van me zingen,
ongeveer zoals ik dat doe.
Had het gevoel dat hij vaseline in zijn oren had.
Dacht: zo moet het zijn als je dood bent.

Herinner me dat Charlie Chaplin ooit meedeed
aan een look-alike-wedstrijd.
Hij werd zesde.
De imitator lijkt vaak echter nog dan het origineel.
In Amerika staat een Venus van Milo met twee armen.
Vaker bezocht dan het authentiek in het Louvre.

Het kan ook fascinerend zijn.
Zag nog niet zo lang geleden een Duitse theatermaker iets doen
waarvan ik dacht: dat is mooi.
Bleek een parodie te zijn op mijn figuur.
Lag in een deuk.

Samuel Beckett zag mij ooit
als een figuur geworden gedicht.
Dat was vooral prachtig,
omdat het geen vorm kreeg.
Het bleef bij wat hij zei,
voor onszelf in te vullen.

Een imitator is als een doof spiegelbeeld.
Je moet vooral een vaardig waarnemer zijn
die respect heeft voor het origineel.
Anders kun je het onmogelijk karikatureren.

Of je imiteren aan kunt leren,
daarmee heb ik geen ervaring.
Oefen in het flink na-apen, zou ik zeggen.
Zag laatst een plaatje van een imitator
in een theaterbrochure,
waarop de man met blote buik zwanger stond afgebeeld.
Zwanger van een aanstaande te imiteren baby.

De beste imitator blijft wat mij betreft
de foto.
Het snapshot.
Een gestold moment
van wie je even was.
De zon
maandag 9 februari 2009

De zon

Je wilt het kunnen blijven doen.
Blijven geloven.
Niet opgeven.
Niet krimpen,
verschrompelen als een oude man
die op zijn einde wacht.
Niet verdrinken
in eindeloos alcoholgebruik
of omkomen
in het werk.
Een tsunami brieven, faxen, mails.
Rottigheid van de wereld aankunnen.
De goede wapens hebben,
in mijn geval: violen.
Juiste binnenwegen volgen
zonder voorbehoud.
Niet met de dood koketteren,
het beeld is deerniswekkend.

 

Ja, het is moeilijk.
Afgunst gluurt.
Haat sluimert.
Zombies bouwen barricaden,
bezetenheid die als lava opborrelt uit pijn,
die verblind.
De manische depressieven
die een gedroomde God beschuldigen.

 

Een bisschop zegt
dat zoveel joden niet vergast zijn.
Een paus verleent hem eer.
Een pater bidt.
Bankiers betalen zich ondanks de recessie
ongekende hoge bonussen uit.
Er is geen Christus
die deze wisselaars
uit tempels jaagt.
In het beloofde land
staat men elkaar
al een paar duizend jaar
nog naar het leven.
In Afrika heerst angst.
Hier verderop: fabrieken sluiten,
mensen zoeken met miljoenen banen.
Een zwarte president preekt hoop.
De mensenwereld staat op breken.

 

Het sneeuwt.
Goed voor de ogen.
De dagen liggen wit,
zou een oude makker zeggen.
Er zullen ongelukken zijn
op paden en op wegen,
auto’s treinen jumbo’s
fietsen mensen
aarzelen.
Onder de sneeuw
wacht het voorjaar.
Een Renaissance.
Krokussen zullen door de harde kale grond
meedogenloos teder
hun kop opsteken.
Of je wilt of niet.
De zon zal schijnen,
voor wie het ziet.

Spiegelbeeld
vrijdag 6 februari 2009

Spiegelbeeld

Zag op de teevee een film die ging over een bescheiden boekhouder,
gelukkig getrouwd, twee zonen.
De oudste is een getalenteerd ijshockeyer,
de jongste vooral een puber.
Het gezin leeft onbekommerd in een buitenwijk van een grote stad.
Op een avond na een ijshockeywedstrijd rijdt de vader met zijn zonen naar huis.
Onderweg stopt hij om te tanken.
De jongste zoon blijft in de auto
om op zijn gameboy het oorlogsspelletje uit te spelen,
de oudste gaat een blikje cola kopen in de winkel bij het tankstation.
Terwijl de vader staat te tanken,
wordt de winkel beroofd door zwaar bewapende mannen met bivakmutsen.
Voordat ze er met hun buit vandoor gaan,
moet één van de bendeleden bewijzen,
dat hij nu een volwaardig lid van zijn “gang” is,
door willekeurig iemand in de winkel dood te schieten.
De zoon van de boekhouder wordt zonder mededogen
in slow-motion door het hoofd geschoten.
Juichend en met piepende banden gaan de schoften ervan door.

 

De boekhouder besluit uit frustratie over de rechtsgang die volgt
– de moordenaar wordt door gebrek aan bewijs vrij gesproken –
hoogstpersoonlijk wraak te nemen.
Hij doet zijn stropdas af, zijn overhemd uit.
We ontdekken dat de boekhouder de borstkas bezit
van een afgetrainde bodybuilder.
De man scheert zijn hoofd kaal,
doet het leren jasje van zijn doodgeschoten zoon aan
en trekt ten strijde.
Als een volleerde guerrilla  rekent hij,
na zorgvuldig de gebruiksaanwijzing van zijn nieuwe wapens gelezen te hebben,
af met de moordenaars van zijn zoon.
De boekhouder kan echter niet voorkomen,
dat ook zijn vrouw en jongste zoon worden neergeschoten.
De film eindigt met een bijna stervende
of niet-stervende boekhouder.
Dat laat de film niet zien.
De camera zoomt in op zijn getekende gezicht.

 

Ik zap verdwaasd weg naar het journaal
en zie de boekhouder nu verkleed als iemand uit donker Afrika.
Blind van woede schiet hij op een andere verklede boekhouder
die wegduikt achter een benzinestation.
Naast een auto ligt een jonge man op de grond
in zijn met bloed besmeurde voetbalshirt.
Zo echt als in de film.

 

Het enige verschil:
bij de beelden op het journaal
hoor je geen muziek.

Lieve Juffrouw van der Pluijm
donderdag 5 februari 2009

Lieve Juffrouw van der Pluijm

Begon ooit met fluiten.

Toen met een mondharmonica.

Daarna met een zelfgemaakte gitaar

met overspannen elastiekjes.

Kreeg toen van een onderwijzer een viool.

Na lang harken kwam er iets moois te voorschijn.

Ben dat blijven doen.

 

Zo ging het ook met wat u cabaret noemt.

Zie mezelf helemaal niet zo.

Zag Tom Manders op teevee,

hoorde van Buziau,

in de Cinéac keek ik met open mond

naar de Dikke en de Dunne,

naar Charlie Chaplin,

Norman Wisdom,

Buster Keaton,

zag Toon Hermans in Carré,

heb me toen overgegeven.

 

Ben gewoon gaan zingen.

Op straten en in café’s,

op pleinen en in kerken,

in zalen en schouwburgen.

Doe dat nog steeds.

Er zit altijd wel iemand

die dan vraagt: "Kunt u ook eens bij ons komen zingen?"

 

Speel al 45 jaar met Erik

en zo’n 20 jaar met de anderen.

Ben in wezen niet op zoek.

Er komt telkens weer zo’n gast voorbij

met een instrument.

Sommigen blijven zomaar voor altijd.

 

Het is overal anders spelen.

Rotterdam en Den Haag kun je niet met elkaar vergelijken.

Laat staan New York en Parijs.

Of Berlijn en Pretoria.

Een stad is wat er woont en werkt.

Zo word je ook begrepen.

 

Carré is wat ons betreft de fijnste zaal van de wereld.

Om alles.

We speelden er bijna 500 keer.

Dat is toch niet te geloven.

 

Ben altijd zenuwachtig voor een voorstelling.

Hoe ouder ik word, hoe meer.

 

Bijna alles ontstaat per ongeluk.

Probeer dat dan te herhalen.

 

Mijn tijd op het conservatorium

was de vrijste van mijn leven.

Een grote grinnik.

 

Dag lieve Themera,

veel succes met alles wat je van plan bent.

Zou je graag eens zien.

 

Dag,

 

Herman van Veen