De zon komt op.
Mist hangt laag boven de polder.
Vogels beginnen te kwetteren.
Een specht drilt in een boom.
Onder de treurwilg krijgt Mama Moeflon een lammetje.
Het gulpt buiten adem, lijkt het, geruisloos op de grond.
Moeder likt het.
Wat herten komen nieuwsgierig snuffelen.
Vader ram blijft op een afstandje.
Zuster moeflon toont geen interesse.
De mist is vervlogen.
De zon straalt.
Het juist geboren lammetje
staat wankelend op zijn hoge pootjes.
Het loopt met voorzichtige hoefjes
door het natte gras.
‘Wie is dat, daar?’ zie je haar denken.
Ze loopt op haar vader af,
ruikt aan zijn achterkant.
Geïrriteerd draait de moeflon ram zich om
en stoot zijn net geboren zoon
met zijn vervaarlijke hoorns
van zich af.
Het beestje vliegt door de lucht
en valt twee meter verder op
duizelig op de grond
Ik denk dat het nooit meer opstaat.
Even later krabbelt het lammetje wiebelig overeind
en wankelt naar de zuster van zijn moeder,
snuffelt in haar kruis,
op zoek naar een tepel.
Ook zijn tante is hiervan niet gediend.
Ze ramt het beest in de flank.
Een kreet.
De boreling stort neer.
Als ze ligt, boort het tanteschaap met haar puntige hoorns
in het tengere lammetjeslijf.
Ik wil over het hek springen
en de beesten gaan schoppen.
Weer staat het lammetje op.
Als een dronkeman wankelt ze nu naar haar moeder.
Die ruikt even aan haar kindje
en graast dan onverschillig verder.
Weer loopt het naar haar vader.
‘Doe dat niet’, roep ik.
Deze keer ramt hij haar vrees ik dood.
Maar nee, ze krabbelt op
en krijgt wederom nu tegelijkertijd
ook nog de hoorns van haar tante in haar buik.
Na ongeveer een uur
en een kapotte onderlip
heeft het lammetje haar les geleerd.
Dat ene schaap, dat haar niet stoot,
is haar moeder.
Heeft melk voor haar
en warme schaduw.
Vijf dagen later.
De zon schijnt.
Een kleine moeflon
bokt vrolijk door de wei.
Haalt het niet meer in zijn hoofd,
om bij zijn vader melk te zoeken.
Hij loopt niet meer zomaar
naar een dier dat hij niet kent.
Laat staan naar die man
bij dat hek
die al dagen staat te kijken.