Op de Open Art Fair in de Jaarbeurs van Utrecht
kwam er in de stand van Ipomal,
waar vijf van mijn doeken te pronken hangen,
een dame naar me toe,
die verguld was met het getoonde.
"Als ik geld had, zou ik deze beslist kopen,"
zei ze, terwijl ze wees naar een grijs vlak
met een diep blauw in blauwe streep,
waarop wat woorden van de Friese dichter Tsead Bruinja
te lezen staan.
"Betaalt u ons wat het u waard is,
haal het van de muur,
pak het in,
neem het mee naar huis.
U kunt het ook huren
of aflossen in wat termijnen."
"Is de helft ook goed?" grinnikte te ze.
"Als u niet meer heeft, ja."
Ze draaide zich verlegen om
en toen weer naar me toe.
"U bent niet erg zakelijk."
"Waarom zou ik?"
Ik las in een vooraanstaand roddelblad,
en ze quootte:
Van Veen in zwaar weer.
"Als dat zo is," antwoordde ik,
"waarom is mij dat dan niet opgevallen?
Geloof niet wat er in die blaadjes staat.
Ze veranderen de woorden om de sensatie.
Investering vertaald in schuld,
bezittingen buiten beeld gelaten.
Gelooft u mij, geen bank leent wie dan ook wat,
als er niet drie keer datzelfde bedrag tegenover staat.
De waarde van een ontwikkeling
blijkt niet zonder meer uit jaarcijfers
maar is wel mijn persoonlijke waarde.
Je leent aan je bedrijf
omdat je in haar droom gelooft.
Het is geweldig te ondernemen in de kunst.
Als niet alleen maar commerciële en niet gesubsidieerde onderneming
ben je vogelvrij en kwetsbaar.
Daar ligt de kracht.
Feitelijk heb je dan als het ware
alleen een schuld aan jezelf.
Er zijn geen gedupeerden."
Ze keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan.
"Koffie?"
"Gezellig," mompelde ze.
We praatten aan een plastic tafeltje
over Spinvis en collateral damage,
het onbegrepen synoniem voor dode kinderen, moeders en kapotte huizen.
Wat het schilderij betrof,
wilde ze nog met haar man praten.
Ik mocht met een knipoog
de koffie
betalen.