We zagen de wilgen
Het is zaterdagochtend negen uur. Een waterig zonnetje strooit een weelderig licht op de gekleurde oude herfstbomen rondom ons huis. Zestien mannen en vrouwen wachten. Zaag in de aanslag op de dingen die om mogen. De knotploeg. Natuur vrijwilligers die boeren en buitenlui met geslepen gereedschap bijstaan de wilgen te snoeien. Wilgen die in de weg staan of zomaar omdat het mooi is of omdat ze dood zijn, dor, kreupel of scheef.
De jongste knotter is, schat ik, elf. De oudste in de buurt van de zeventig. Iets meer mannen dan vrouwen. We verdelen ons in drie groepen. De eerste pakken de fors verwilderde wilgen langs de schapenwei aan. Ze mogen allemaal tot op het bot om. Knie hoge stammen dienen te blijven staan, zodat de schapen zich kunnen schuren als ze jeuk hebben of hun wol kwijt willen.
Nadat ik een en ander heb uitgelegd, stappen wat mannen over het gaas en zagen zwijgend, dat wat in jaren is gegroeid, in een zucht om. Volleerd, volmaakt zie ik hoe, als ik omkijk de eerste dikke takken geveld worden.
Voordat ik de vrouwen ook maar heb kunnen uitleggen, dat ik die tweehonderd meter lange sloot aan die kant wilgvrij zou wensen, hebben de knotters achter ons al bijna de helft om van wat ik inschatte een klus van dagen te zijn.
Zachtjes pratend zagen en knippen de vrouwen zich nu een weg langs de drassige slootkant. Terwijl ik met mijn team aan de dode wilgen bij wat wij het spoorbos noemen, begin. Een uur later is de helft van het werk gedaan. Zeventien mensen, honderdvijftig wilgen geknipt en geschoren. Takkenbossen keurig opgestapeld met de dikke delen naar het westen. Koffie, anekdotes, mouwen worden opgestroopt . Noest wordt er verder gezaagd. Anderhalf uur later zijn we klaar. Ons land ademt weer uitzicht. Dode taken wachten. Op de egels, de torren en het gedierte. Schimmels verheugen zich, mossen zetten zich in gang. Twijgen genoeg om schuttingen te rijgen. Staken voor het steunen van de jonge aanplant. Takken in de knop in overvloed voor de herten en de schapen om te knabbelen. Dikke stammen in de wallen. We lopen met elkaar nog een rondje over het land. Schudden elkaar de hand en beloven plechtig volgend jaar weer alles om te zagen. Ben de koning te rijk met zo’n knotploeg.
’s Avonds voor de TV met pijnlijke schouders en dikke handen zit ik nog te grinniken om zoveel zaagliefde.