Herfsttournee
Kijk uit over de grijze rivier. Een rijnaak duwt zich tegen de stroom in naar het Verre Oosten. Een stelletje, stevig gearmd onder moeders paraplu, wandelt over de kade. Drie oude bomen verliezen hun bladerpracht. Blaadje voor blaadje. Een man van middelbare leeftijd rent zijn overtollig vet kwijt te joggen. Mainz, laatste voorstelling van ons onvoorzien herfsttourtje. Het lag in de bedoeling in oktober en november promotie te maken voor het boekje "Lieber Himmel" van Gutersloher Verlagshaus. Eén optreden was slechts voorzien tijdens de Buchmesse in Frankfurt. “Als u toch in Duitsland bent, kunt u dan niet ook in Mainz komen spelen? Dat is maar dertig kilometer verderop.” Zwaan kleef aan. Nürnberg, Uhingen, München, Weinböhla, Frankfurt, Oldenburg, Aurich, Hamburg, Losheim, Mülheim, Bonn, Neuss, Mainz, naar huis.
4200 kilometer in veertien dagen. Onderweg met Hauke Tedsen, tourmanager en waar nodig belichter, Merlijn “Fluitsma” voor het geluid, René Lunenburg voor de vrachtauto en het toneel, Dieuwertje van Ravenswaaij als productie-assitente, Hanna Prins stagiaire en voor de merchandise, kleedkamers, koffie en de koekjes, Edith Leerkes en ik. Voor ons doen klein team.
Eerste voorstelling Nürnberg. Het theater was kapot. Moesten uitwijken naar de showroom van een Audi-dealer. Kon vanaf het geïmproviseerde toneel de stad zien, de straten, mensen die naar binnen tuurden en wuifden. Stond letterlijk tussen de auto’s. Er waren hele mooie bij. Eentje van 160.000 euro. Wist niet dat ze bestonden.
Als het zaallicht uit gaat, maakt het niet zoveel uit waar je staat. De essentie blijft over: techniek, publiek, artiesten. Het werd een pracht avond. Andere Duitse woorden, nieuwe zinnen, nog niet eerder voor publiek gezongen liedjes, pasjes, huppeltjes, onzin, ernst, stilte. De mensen klapten tot ze een ons wogen. Zag na afloop Marie met haar onvergetelijke bruine ogen. Inpakken wat we bij ons hadden. Wegrijden naar de volgende stad. Uhingen.
Wist niet dat het bestond. Prachtig theater. Beton, staal, hout, aluminium. Monochroom. Alles in grijstinten. Spiksplinternieuw. Hartelijk ontvangst. Bloemen, fruit op de kleedkamers. Lekkere hapjes. Super zaal. Mooi licht, prachtig geluid. Oorverdovend publiek. Daar zijn we niet voor het laatst geweest. Het inladen ging in een mum. We hebben niet veel mee. Kleding, rekwisieten, een geluidsset voor het geval de zaalversterking niet voldoet. Instrumenten voor 2 personen, merchandise, zakken pingpongballen, flessen Spa, een brandslang, zilveren snippers. Kind kan de was doen.
Binnen een uur na afloop rijden we naar München, Deutsches Theater. Was daar al vaker. Kreeg er ooit 1800 rozen. Giga-zaal. Even zoveel mensen. Mooi is het niet. Schoon ook niet. Oogt als een Broadway-theater. Veel mensen die onduidelijke dingen doen. Trappen, liften, deuren, containers, doeken, decorstukken, showkleding. Groot toneel, diepe zaal. Merlijn, van het geluid, is tamelijk zenuwachtig. Versterkt voor het eerst in zijn jonge geluidsleven zo’n bak uit. Het is niet niks. Alleen al op het balkon passen net zoveel mensen als in de Utrechtse Schouwburg. Stampend volle zaal. De wind in de rug, krijg vleugels. Merlijn slaagt met vlag en wimpel. Wat een wereldvak, wat een voorrecht. Buig als een scheermes. Zet het in het hotel op een zuipen van geluk. De hoofdpijn de volgende morgen kan mij niet deren.
Naar Weinböhla, diep in Oost Duitsland, achter Dresden. TomTom raakte in de stress. Het theater was niet te vinden. We stonden letterlijk in een weiland. Volgens TomTom klopte ook het huisnummer. Uiteindelijk gevonden. Te laat. Haast, onrust. Alles op het nippertje. Leuke kleine zaal. Vriendelijke mensen. Mooie avond. Boeiend nagebabbeld over kerken die je niet of wel na bombardementen zou moeten restaureren. Geslapen in Dresden, in het Hilton, dat er al in DDR dagen stond. Als opmaat voor de muurval.
Naar Frankfurt voor de internationale boekenbeurs, ter promotie van mijn recente boekje. Een ramp. Alles wat mis kon gaan ging mis. Edith en ik waren er met Kiki. De anderen al onderweg naar de volgende stad. Kiki was er voor uit Holland gekomen. De ontvangst van degenen die ons hadden georganiseerd was een klucht. Waar moesten we zijn: geen mens die het wist. Nee daar, of was het daar? Halle A, of Halle 2d. Uiteindelijk waren we ergens en werden afgeblaft door een parkeerwachter die ons in niet mis te verstaan Duits liet weten hoe onbeschoft we waren. Dat waar we ons bevonden, onmogelijk was. Verboten. Dat we rechtsomkeer moesten maken en zoniet dan zou hij de politie bellen die ons zou wegslepen en dat we dan ter verantwoording zouden worden geroepen. Iemand door een handy schreeuwde dat alles een misverstand was. Verontschuldigingen. Ons optreden vond uiteindelijk plaats in een café-chantant-tent. We waren aan de beurt na Wolf Biermann, een Duitse bejaarde dichter die als een standwerker antwoorden gaf op “literaire” vragen. Niet iedereen wilde na zijn optreden de tent verlaten omdat wij het geluid moesten testen en repeteren. Het zou om 5 uur beginnen en het wás 5 uur. Sie hatten recht. Geen kleedkamers, geen ruimte voor onze spullen en instrumenten. Die moesten we in de auto uitpakken en onder het tentdoek door naar binnen smokkelen. Geen koffie, geen handdruk, geen bemoedigend woord. Gelukkig wel Thomas Woitkewitsch en Alexander Schwarz met bemoedigende knikjes. We speelden, las wat voor, stilte, appreciatie, instemming, interviews, handtekeningen zetten en maken dat je weg komt. Mij zien ze daar niet meer.
In Oldenburg wel, wereldzaaltje. De mensen zaten rondom het toneel, vind ik heerlijk. Het werd een stampend concert. We gingen door de klok van twaalf uur. Spoelden Frankfurt weg.
In Aurich waren we al eens. In Duitsland zijn wel duizend van zulke zalen. Kun je oneindig spelen. Mooi vooruitzicht.
Hamburg, Torhaus Wellingsbütel. Minizaaltje in museum, 120 mensen stonden al uren voor achten buiten te kleumen. Eén grote kleedkamer voor iedereen. Optreden ter gelegenheid van de schilder die ik aan het worden ben. 44 werken hangen er te pronken deze maand. Zong in een eigen geschilderd decor, anders. Met de mensen op mijn lip. Enig om te doen, maar niet te vaak. In zulke zaaltjes krijg ik een vorm van ruimtevrees, wil muren omduwen. Krijg het merkwaardig warm. Was wel trots op alles wat daar hing. Dacht af en toe: “Kijk mama dat heb ik gemaakt.” “Mooi jongen,” zei de vader in mijn hoofd.
In Losheim zongen we in een spoorwegmuseum. Had een kleedkamer zo groot als een jaarbeurshal. Overal stonden treinen, hingen foto’s, schilderijen met treintaferelen door de jaren heen. Losheim ligt op de grens van Luxemburg. Verscholen in het lommer, omringd door wel 100 kilometer bos. “Elke trein wil naar Parijs,” zong ik. “Ja,” zongen de treinen instemmend met ons mee.
Naar Mülheim a.d. Ruhr. Speelden daar voor het eerst in 1967 nog voor de Nederlandse club. Met Erik van der Wurff, Laurens van Rooyen en Gerard Stellaard, als ik me goed herinner.
’s Nachts naar Bonn, voor het eerst in de opera. Vergeet de ambtelijke structuren, de massa onduidelijke structuren die bij het opbouwen in de weg lopen. Dat blijft een fantastische zaal, met super licht en geluid. Een publiek voor wie niets stuk kan. Dan wil je morgen weer. Zoals mijn kleinzoon ooit zei, bij een kerstconcertje thuis waar hij na het zingen van zijn liedje vroeg: “Mama, mag ik nog een keer?”
Van ausgezeignet Neuss naar vanavond Mainz in het hartje van de oude stad. Verheug me en bedankt René, Merlijn, Hanna, Dieuwertje, Hauke en Edith voor weer een heerlijke andere tijd.