dinsdag 23 oktober 2007

Herfsttournee

Kijk uit over de grijze rivier. Een rijnaak duwt zich tegen de stroom in naar het Verre Oosten. Een stelletje, stevig gearmd onder moeders paraplu, wandelt over de kade. Drie oude bomen verliezen hun bladerpracht. Blaadje voor blaadje. Een man van middelbare leeftijd rent zijn overtollig vet kwijt te joggen. Mainz, laatste voorstelling van ons onvoorzien herfsttourtje. Het lag in de bedoeling in oktober en november promotie te maken voor het boekje "Lieber Himmel" van Gutersloher Verlagshaus. Eén optreden was slechts voorzien tijdens de Buchmesse in Frankfurt. “Als u toch in Duitsland bent, kunt u dan niet ook in Mainz komen spelen? Dat is maar dertig kilometer verderop.” Zwaan kleef aan. Nürnberg, Uhingen, München, Weinböhla, Frankfurt, Oldenburg, Aurich, Hamburg, Losheim, Mülheim, Bonn, Neuss, Mainz, naar huis.
4200 kilometer in veertien dagen. Onderweg met Hauke Tedsen, tourmanager en waar nodig belichter, Merlijn “Fluitsma” voor het geluid, René Lunenburg voor de vrachtauto en het toneel, Dieuwertje van Ravenswaaij als productie-assitente, Hanna Prins stagiaire en voor de merchandise, kleedkamers, koffie en de koekjes, Edith Leerkes en ik. Voor ons doen klein team.
Eerste voorstelling Nürnberg. Het theater was kapot. Moesten uitwijken naar de showroom van een Audi-dealer. Kon vanaf het geïmproviseerde toneel de stad zien, de straten, mensen die naar binnen tuurden en wuifden. Stond letterlijk tussen de auto’s. Er waren hele mooie bij. Eentje van 160.000 euro. Wist niet dat ze bestonden.

Als het zaallicht uit gaat, maakt het niet zoveel uit waar je staat. De essentie blijft over: techniek, publiek, artiesten. Het werd een pracht avond. Andere Duitse woorden, nieuwe zinnen, nog niet eerder voor publiek gezongen liedjes, pasjes, huppeltjes, onzin, ernst, stilte. De mensen klapten tot ze een ons wogen. Zag na afloop Marie met haar onvergetelijke bruine ogen. Inpakken wat we bij ons hadden. Wegrijden naar de volgende stad. Uhingen.
Wist niet dat het bestond. Prachtig theater. Beton, staal, hout, aluminium. Monochroom. Alles in grijstinten. Spiksplinternieuw. Hartelijk ontvangst. Bloemen, fruit op de kleedkamers. Lekkere hapjes. Super zaal. Mooi licht, prachtig geluid. Oorverdovend publiek. Daar zijn we niet voor het laatst geweest. Het inladen ging in een mum. We hebben niet veel mee. Kleding, rekwisieten, een geluidsset voor het geval de zaalversterking niet voldoet. Instrumenten voor 2 personen, merchandise, zakken pingpongballen, flessen Spa, een brandslang, zilveren snippers. Kind kan de was doen. 
Binnen een uur na afloop rijden we naar München, Deutsches Theater. Was daar al vaker. Kreeg er ooit 1800 rozen. Giga-zaal. Even zoveel mensen. Mooi is het niet. Schoon ook niet. Oogt als een Broadway-theater. Veel mensen die onduidelijke dingen doen. Trappen, liften, deuren, containers, doeken, decorstukken, showkleding. Groot toneel, diepe zaal. Merlijn, van het geluid, is tamelijk zenuwachtig. Versterkt voor het eerst in zijn jonge geluidsleven zo’n bak uit. Het is niet niks. Alleen al op het balkon passen net zoveel mensen als in de Utrechtse Schouwburg. Stampend volle zaal. De wind in de rug, krijg vleugels. Merlijn slaagt met vlag en wimpel. Wat een wereldvak, wat een voorrecht. Buig als een scheermes. Zet het in het hotel op een zuipen van geluk. De hoofdpijn de volgende morgen kan mij niet deren.
Naar Weinböhla, diep in Oost Duitsland, achter Dresden. TomTom raakte in de stress. Het theater was niet te vinden. We stonden letterlijk in een weiland. Volgens TomTom klopte ook het huisnummer. Uiteindelijk gevonden. Te laat. Haast, onrust. Alles op het nippertje. Leuke kleine zaal. Vriendelijke mensen. Mooie avond. Boeiend nagebabbeld over kerken die je niet of wel na bombardementen zou moeten restaureren. Geslapen in Dresden, in het Hilton, dat er al in DDR dagen stond. Als opmaat voor de muurval.
Naar Frankfurt voor de internationale boekenbeurs, ter promotie van mijn recente boekje. Een ramp. Alles wat mis kon gaan ging mis. Edith en ik waren er met Kiki. De anderen al onderweg naar de volgende stad. Kiki was er voor uit Holland gekomen. De ontvangst van degenen die ons hadden georganiseerd was een klucht. Waar moesten we zijn: geen mens die het wist. Nee daar, of was het daar? Halle A, of Halle 2d. Uiteindelijk waren we ergens en werden afgeblaft door een parkeerwachter die ons in niet mis te verstaan Duits liet weten hoe onbeschoft we waren. Dat waar we ons bevonden, onmogelijk was. Verboten. Dat we rechtsomkeer moesten maken en zoniet dan zou hij de politie bellen die ons zou wegslepen en dat we dan ter verantwoording zouden worden geroepen. Iemand door een handy schreeuwde dat alles een misverstand was. Verontschuldigingen. Ons optreden vond uiteindelijk plaats in een café-chantant-tent. We waren aan de beurt na Wolf Biermann, een Duitse bejaarde dichter die als een standwerker antwoorden gaf op “literaire” vragen. Niet iedereen wilde na zijn optreden de tent verlaten omdat wij het geluid moesten testen en repeteren. Het zou om 5 uur beginnen en het wás 5 uur. Sie hatten recht. Geen kleedkamers, geen ruimte voor onze spullen en instrumenten. Die moesten we in de auto uitpakken en onder het tentdoek door naar binnen smokkelen. Geen koffie, geen handdruk, geen bemoedigend woord. Gelukkig wel Thomas Woitkewitsch en Alexander Schwarz met bemoedigende knikjes. We speelden, las wat voor, stilte, appreciatie, instemming, interviews, handtekeningen zetten en maken dat je weg komt. Mij zien ze daar niet meer. 
In Oldenburg wel, wereldzaaltje. De mensen zaten rondom het toneel, vind ik heerlijk. Het werd een stampend concert. We gingen door de klok van twaalf uur. Spoelden Frankfurt weg.
In Aurich waren we al eens. In Duitsland zijn wel duizend van zulke zalen. Kun je oneindig spelen. Mooi vooruitzicht. 
Hamburg, Torhaus Wellingsbütel. Minizaaltje in museum, 120 mensen stonden al uren voor achten buiten te kleumen. Eén grote kleedkamer voor iedereen. Optreden ter gelegenheid van de schilder die ik aan het worden ben. 44 werken hangen er te pronken deze maand. Zong in een eigen geschilderd decor, anders. Met de mensen op mijn lip. Enig om te doen, maar niet te vaak. In zulke zaaltjes krijg ik een vorm van ruimtevrees, wil muren omduwen. Krijg het merkwaardig warm. Was wel trots op alles wat daar hing. Dacht af en toe: “Kijk mama dat heb ik gemaakt.” “Mooi jongen,” zei de vader in mijn hoofd.
In Losheim zongen we in een spoorwegmuseum. Had een kleedkamer zo groot als een jaarbeurshal. Overal stonden treinen, hingen foto’s, schilderijen met treintaferelen door de jaren heen. Losheim ligt op de grens van Luxemburg. Verscholen in het lommer, omringd door wel 100 kilometer bos. “Elke trein wil naar Parijs,” zong ik. “Ja,” zongen de treinen instemmend met ons mee.
Naar Mülheim a.d. Ruhr. Speelden daar voor het eerst in 1967 nog voor de Nederlandse club. Met Erik van der Wurff, Laurens van Rooyen en Gerard Stellaard, als ik me goed herinner. 
’s Nachts naar Bonn, voor het eerst in de opera. Vergeet de ambtelijke structuren, de massa onduidelijke structuren die bij het opbouwen in de weg lopen. Dat blijft een fantastische zaal, met super licht en geluid. Een publiek voor wie niets stuk kan. Dan wil je morgen weer. Zoals mijn kleinzoon ooit zei, bij een kerstconcertje thuis waar hij na het zingen van zijn liedje vroeg: “Mama, mag ik nog een keer?” 
Van ausgezeignet Neuss naar vanavond Mainz in het hartje van de oude stad. Verheug me en bedankt René, Merlijn, Hanna, Dieuwertje, Hauke en Edith voor weer een heerlijke andere tijd.

maandag 22 oktober 2007

Oegandees

Vanwege de mist was mijn vliegtuig drie uur vertraagd. Na een uur op het immense vliegveld te hebben rondgedard, ben ik wat gaan eten in het nog enige restaurant dat open was, een Japanner. Van de veertig tafeltjes was er één bezet. Daar zat een grote, zwarte man te klooien met twee stokjes. Hij hief zijn armen in wanhoop op, glimlachte naar mij. Zag dat ik niet wist waar te gaan zitten. “Please,” zei hij met een uitnodigend gebaar. Ook zijn vliegtuig was vertraagd. Bestelde sushi met wat sake. We raakten aan de praat. Hij vertelde van zijn vrouw, zijn kinderen. Ik van die van mij. Hij van zijn Oegandezen, ik van mijn Nederlanders. We babbelden over onze goden en de hufters en alles wat daar tussen zit. Hij had een moeder die net als de mijne allergisch was voor vieze vingers. En gelachen over mijn vader die net als die van hem altijd na zijn laatste drankje nog een ander laatste drankje nam. Gediscussieerd over wat te doen aan de ellende in de wereld. Moet je nog helpen als dat land dan afhankelijk raakt van hulp en in- en exportwetten. Over wederzijds respect en keuzes.
Hij wilde alles weten over het Nederlandse voetbal. Heb hem het hemd van het lijf gevraagd over wat er nog aan dieren rondliep in Oeganda. De tijd vloog om. Hij bleek dezelfde vlucht als ik te hebben. Bijna waren we te laat. In Johannesburg zag ik hem weer bij de bagage. “Take care, brother,” zei hij bij het afscheid nemen. “You too.” Heb versteld gestaan hoe je in zo’n korte tijd vertrouwd kunt raken met iemand van de andere kant van de wereld wiens kleur het tegenovergestelde is aan die van jou, en wiens alles eigenlijk toch zo op elkaar lijkt.

maandag 15 oktober 2007

Ome Wim

Ome Wim, de man van tante Jans, is dood. Hij werd bijna negentig jaar oud. Van mijn ouders generatie is er nu niemand meer in leven. Op is op. Nu zijn wij aan de beurt. Ome Wim was een vriendelijke, keurige, verdraagzame man. Als kind was ik er graag. Op zaterdag mocht ik dan van hem balletjes draaien voor de soep of platen. Ze hadden zo’n prachtige jukebox-achtige platenspeler met een vingervrije glazen stolp waardoor je de langspeelplaten één voor één op elkaar kon zien zoeven. Doris Day, Pat Boone, Louis Armstrong, Vera Lynn, Edith Piaf, The Everly Brothers en weer opnieuw. Mocht daar door de kamer rennen, zijn totoformulier invullen, met hem stoeien. Maar nooit, nooit aan zijn haren komen. Dat zat net zoals bij Frank Sinatra: strakke scheiding, soepel golfje naar achteren gekamd. Messcherpe korte bakkebaarden. Dat was Sperrgebiet.
Ome Wim was muzikant en verkoper van herenkleding en matrassen. Hij ging altijd tip-top gekleed in prachtige door hem zelf gesteven overhemden. Werkte zover als ik mij kan herinneren bij de Galerie Moderne, toen nog tegenover de Vroom & Dreesmann in Utrecht. In de weekeinden sloeg hij slagwerk op bruiloften en partijen. Legendarisch waren zijn anekdotes die hij zelf het allerleukste vond.

Zijn lichaam heeft hij ter beschikking gesteld aan de wetenschap. Zou de aspirant-dokters willen adviseren, tijdens het leren opereren, het zagen en het snijden in het lichaam van mijn ome Wim, vooral hun gang te gaan maar zich te beheersen als het gaat om de bovenkant van zijn hoofd. Want ook al is hij gestorven, zit je aan zijn haar dan zal hij zonder enige twijfel uit de dood herrijzen.

maandag 24 september 2007

Groot Waterland, september 2007

Alfred Jodocus Kwak zit met zijn stiefvader Henk de Mol voor zijn woonklomp. Het is een warme zomerse dag in november. “Henk ... maar als het op de wereld warmer wordt, dan smelt het ijs op de polen enzo en dat zakt en breekt dan in het water van de zee. Zoals ijsblokjes in een glaasje limonade. Die limonade wordt dan lekker fris. Is dat met de zee dan ook niet zo? Dan wordt de wereld toch na een poosje kouder? Omdat de wind boven de zee dan toch koeler wordt? Zou het zo koud kunnen worden, dat we ’s winters weer zouden kunnen schaatsen? Lijkt me wel leuk. En sleetje glijden? Sneeuwpop maken? Sneeuwballen gooien, zoals we vroeger deden met Dolf de Kraai, toen hij nog niet zo gemeen was?” “Ja, Alfred, het weer is net als een wip. Gaat er iets naar boven, gaat er tegelijkertijd iets naar beneden.” “Henk? Moeten wij ons zorgen maken?” “Nee, Alfred, dat helpt niet. We moeten de dingen zien zoals ze zijn. Weet jij waar mijn bril is? En doen wat we dan moeten doen. Alles op zijn tijd, jongen.” “Zullen we naar de zee gaan kijken?” "Goed, Alfred. Eventjes mijn lieslaarzen pakken.”

vrijdag 21 september 2007

Seedorf, 21 september 2007
 
Ben sinds jaar en dag een Clarence Seedorf-activist. Vind deze gitzwarte AC Milan-voetballer een fenomeen, niet alleen op het gras, maar ook er naast. Hij is oprichter en financier van de Stichting Champions for Children, een organisatie die zich onder andere inzet sportfaciliteiten ter beschikking te stellen aan kinderen in achterstandswijken. Hij schonk Suriname een heus voetbal stadion. Seedorf weet dat je door te sporten een letterlijk beter mens kunt worden, hij zelf is het levende bewijs.
 

Clarence Seedorf zou mijns inziens altijd in het Nederlands elftal moeten worden opgesteld. Hij is een geboren leider, heeft ervaring en is gentleman pur sang. Oranje mist een constante, iemand die de lijnen uitzet. Seedorf is die man, dat heeft hij bewezen. Vier keer won hij de Europacup I, een unieke prestatie. Zou Marco van Basten willen adviseren mijn suggestie ernstig te overwegen. Van Basten was een zeer goed voetballer en is een prima vent. Als zeer getalenteerd trainer ontbreekt hem echter, logisch gezien zijn leeftijd, de ervaring en het historisch perspectief.
 
Nederland kan met Seedorf als kapitein het Oranjeschip naar de Europese titel voeren. Doet Van Basten niet wat ik hem toeschrijf, wat ik overigens hoop, dan is de kans zeer groot dat Nederland met Seedorf en Ruud van Nistelrooy als dispensatiespelers onder Foppe de Haan in Peking olympisch kampioen wordt. Wat valt er in de sport meer te bereiken dan het Olympische goud?

vrijdag 14 september 2007

Met het verstrijken van de jaren verscheiden letterlijk, als sneeuw voor de zon, meer en meer dierbaren, vrienden, bekenden en familieleden. Deze week was het Fred de Rek. Vandaag werd hij begraven in Culemborg, in de lange schaduw van de kerk. Vader, zeeman, accountant, ondernemer, aartsliberaal en bestuurder. Vriend door de jaren voor ons, mijn ouders en kinderen. In de kerk werd, door die met hem waren, gezongen en liefdevol gesproken. Zat er met mijn zusters, vrouw, de moeder van mijn kinderen, mijn oudste dochter, vochtige ogen, brok in de keel. Een jonge man stapte op het altaar. Twee druppels water Fred. De kleinzoon sprak van opa, er was niemand op de wereld zoals hij. Het orgel hijgt en puft van "U, die de glorie zijt en die me vrede geeft." Ik kijk opzij naar mijn dochter, denk aan mijn kleinzoon.

Het wordt me teveel. Vanavond zal ik zingen: "Aan alles, aan alles, komt een begin."

Fred, bedankt.

dinsdag 4 september 2007

Geboren

Met blijdschap geven wij kennis van de geboorte van
"Hermanus, Onzinnige avonturen", deel 1
bij Stripschrift's Nederlandse Stripparels.
Beide ouders, Herman en Jan Bart, maken het goed.
Het is een gezonde baby van 71 pagina's.

Voor meer informatie en bloemen:

Stripschrift nummer 386
Stichting Uitgeverij Stripstift
Kleine Beer 467
3067 ZW  Rotterdam

www.stripschrift.nl

Meer over Hermanus

donderdag 30 augustus 2007

Het lijkt wel alsof augustus september is. Op het pad liggen eikels, in het gras kastanjes, onder de heg schuifelen egels. De groei is uit het gras, de varens zijn al voor het merendeel bruin. De herten slijpen hun geweien. Er zit een sperwer in de stal, hij heeft een sierduif te grazen, plukt hem als een woekeraar. ’t Is wonderlijk, voor mij blijft het augustus. Het seizoen begint met een aperitief in De Fransche School in Culemborg. Dan naar Bloemendaal, waar we in de openlucht met de zee in de rug beginnen. Verheug me.

Onze CD "Nederlanders" ligt in de mix. Wordt gedaan door Daniël Lohues en zijn mannen. Eind oktober lig tie dur. En het boek “Goeie genade”, uitgeverij Kok en “Medemens” ter gelegenheid van de verjaardag van de Herman van Veen Foundation. Ook mijn dochter Anne gaat op tournee langs de kleine zalen. Babette is in de weer met een nieuwe CD, ze moet een keuze maken uit vierentwintig liedjes.

Het concert van Edith in de Schaapskooi op dinsdag 20 november, hebben we verplaatst naar de Oude Kerk in Soest. Er wilden meer mensen komen luisteren dan in de Schaapskooi kunnen. Voor kaarten:


Jannemien loopt op elke dag. Er zit een sticker in het programmaboek voor diegene die haar zullen missen. Op 12 september zal in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag de CDVD “Chapeau” gepresenteerd worden. 

Harald Siepermann, de tekenaar van Alfred Jodocus Kwak, exposeert in het Gocher Museum vanaf 20 september ca. zes weken, met werken van zijn hand. Schilderijen van mijne, zijn te zien vanaf 10 september tot en met 21 oktober in Hangar 21, Charles-Lindberg-Ring 10, Detmold (D).

Het lijkt wel alsof augustus september is, we zijn weer in de weer.

donderdag 23 augustus 2007

Er staat een kermis in mijn hoofd
met een reuzenrad
een spookhuis
met een schiettent
een vrouw met een baard
met de drie borsten

Een koopman
met ballonnen
een lilliputter
en een beer
die voor een duppie danst

Op de kermis in mijn hoofd
loopt een vader en moeder
met een jongetje
dat zichzelf ziet
in schele spiegels
zo dun als Pierlala
en dik als Bertha

Hoor ik
lachen, vloeken
straatorgels
kankeren
mondharmonica’s
godver-en

Op de kermis in mijn hoofd
ruikt het naar kastanjes
chocolade en kaneel
naar zweet en bier
natte regenjassen
naar Sunlight zeep
naar rookworst
en pis

Op de kermis in mijn hoofd
zweeft ook een meisje in het rond
die nu de moeder van mijn
kinderen is
en oma
van de kleine wonderen


Herman van Veen

woensdag 15 augustus 2007

Droomde iets, dat onvermijdelijk lijkt. Kwam aan op een Schiphol, dat in zee dreef. Door drijvende tunnels verbonden met het vaste land. Het vliegveld was eigenlijk niet meer, dan een inmens bebouwd hoefijzer. Vliegtuigen vertrokken en landden op het water, door golfbrekers zo glad als een spiegel. Robotroofvogels hielden het luchtruim schoon, zodat geen watervogel welke vlucht dan ook zou kunnen verhinderen. Met een door laddermolen-energie* voortgestuwde tram, zoefde ik door tunnels op keramieke rails naar Amsterdam. Onherkenbaar omringd door grote waterbekkens, moerassen en uiterwaarden. Daar stapte ik in mijn personen-zeppelin en was in een wind thuis.

Toen ik een beetje warrig uit bed stapte, zag ik het tijdschrift dat ik voor het slapen gaan had gelezen. "Milieu Defensie Magazine", op bladzijde 18: “Zeven dagen duurt het slechts, als alle pompen en gemalen zouden uitvallen en dan zou Nederland onder water staan. In een gebied dat onder de zeespiegel ligt, moet het binnenkomende water dat niet verdampt namelijk tegen de zwaartekracht in naar zee worden gepompt. En niet alleen in Nederland. Wel driekwart van de wereldbevolking woont op minder dan vijftig kilometer van zee en dat deel groeit als een tumor. Klimaatverandering, maar ook overstromingen zoals in New Orleans hebben planologen daarom aan het denken gezet over watermanagement en overstromingsrisico’s.”

Tijdens het tandenpoetsen keek ik met enige argwaan naar de kraan.


* Laddermolen-energie is een vinding van de Nederlandse ruimtereiziger Wubbo Ockels en de zijnen. Een vorm van energie-opwekking, met als bron de constante en harde wind op honderden of duizenden meters hoogte. (Zie “Silver Surfer” bij uw plaatselijke bioscoop, Moebius). Bestuurbare vliegers met weervleugelprofiel gaan omhoog aan een touw, de opwaartse kracht wordt omgezet in energie.

© Herman van Veen Studio's BV
                                                                      illustratie: Alja Zwierenberg