maandag 19 juli 2010

Overwoekerd

Tsead Bruinja is een Friese dichter.

Hij is nu net zo oud als ik was

toen mijn vader zo oud was 

als ik nu ben.

Een jongeman dus.

Tsead schrijft zijn gedichten vaak in het Fries,

vaker in het Nederlands.

Vond een paar van zijn bundeltjes

jaren geleden

in een boekenwinkel achter de Grote Kerk in Antwerpen.

Heb inmiddels al een heel stapeltje

waar ik graag in blader.


Met de post kreeg ik zijn nieuwste werkje.

Overwoekerd.

Vierenzeventig bladzijden woorden.

Mede tot stand gekomen

dankzij een werkbeurs van het Nederlandse Letterenfonds.

Ene Willem schrijft op de achterkant:

“Tsead is een dichter

die teder en liefdevol kan zingen,

maar ook stevige, ruige beelden en klanken kan gebruiken.

Zachtmoedig én stoer.

Een strelende hand én een vuist...”


Ernaast staat het gedicht “Licht”.


er is licht

en iets dat daartussen staat

 

een muur

een figuur

 

een leven lang

ben je onbenaderbaar

 

kweek je vuisten

bedek je een graf

 

met je hele lichaam

 

verduister je het gat

van een deur

 

er is licht

iets dat daartussen staat 

 

en er is een weg 

waarop je je spullen achterlaat

 

er is licht

dat je iets wil vertellen

 

ga weg

laat liggen

 

neem op


Bij Tsead lijken de woorden te leven.

Ze veranderen.

Ben ik vrolijk

dan lezen zijn teksten mij treurig.

Ben ik verdrietig

dan lezen zijn woorden me blij.

donderdag 15 juli 2010

Het water zingt in blauw

Ben elke dag wat uurtjes in de weer

met het corrigeren van 52 verhalen

die in het grote Alfred Jodocus Kwak Voorleesboek

komen te staan.

Verhaaltjes, ooit geschreven voor televisie,

nu verbeeld in woorden.

Minutieus werk.

Kras weg, schrijf bij.

Vergrappig of maak erger.

Een versje, een liedje, een gedichtje.




Wie waggelt

raakt verward.


Water dat kabbelt

ziet de sterren niet.


Wie waggelt

wordt wezenloos.


En wie naar boven kijkt

droomt.


Wie kwaakt is

kikker.


En in sommige gevallen

eend.


Vrij naar

Federico Kwarcía Kworca




Voor de Sint

zullen de woorden af zijn,

gebonden en te vinden

op de schappen

van de boekenwinkel.




zondag 11 juli 2010

Den Koning van Hispanje

Aan de vooravond van de WK-voetbalfinale tussen Nederland en Spanje

wordt er op het ogenblik in ons land in krant,

op internet, radio en teevee,

vinnig veel gediscussieerd over de speelstijl van Oranje.

Of, zoals een geïrriteerde moeder in een ochtendkrant liet optekenen:

“Het zelfingenomen gewauwel van mannen”.


De vraag die op tafel ligt:

moet Holland wereldkampioen worden met resultaatvoetbal

à la het sluipmoordenaarscatenaccio zoals Italië dat speelt,

of moeten we verliezen met het individualistische artistieke voetbal

zoals Nederland dat bijvoorbeeld in 1974 deed?

Het geëerd-worden-om-de-stijl-principe,

door een huisarts laatst als Hollandse ziekte omschreven:

wij zijn goed, wij zijn beter, wij zijn de beste,

dus tweede.

Après-vous.


Het lijkt een discussie tussen generaties

voetbalbabyboomers en hedendaagse neo-pragmatici.

Ik zou als geïnformeerde leek willen suggereren:

laten we spelen als geuzen.

De mannen die ooit in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)

tegen Alva’s conquistadores vochten.

Met alle middelen.

On- en geoorloofd.

Stijlloos.

En dat de beste,

na verlengingen en penalty’s,

moge winnen!


Hup Spanje, Holland hup.

maandag 5 juli 2010

Patricia

Zit op een terras van het zoals de folder zegt,

Leading Small Hotel Hugenpoet,

onder de rook van Essen.

Na een lange dag.

Vroeg op, met de auto naar Goch,

net over de Duitse grens bij Nijmegen,

voor een persconferentie over het te bouwen Alfred Jodocus Kwak Huis.

Een vakantiehuis voor families met kinderen

die tobben met de gezondheid.

Het huis komt, als het geld gevonden wordt,

op een prachtige locatie op loopafstand van een meer en uitgestrekte bossen.

Achttien huisjes moeten er komen,

woningen die als een waaier liggen rond één “Biosferen huis”,

in de vorm van een reusachtige waterdruppel.

Eendachtig de tekst van Alfred Jodocus Kwak’s lijflied:

“Spetter pieter pater, lekker in het water.

Ga maar vast naar huis, ik kom een druppel later”.

“Heilpedagogisch, ökologisch beispielhaft und vor allem:

für Kinder sinnlich lebensnah”,

zo legt een professor het de verzamelde pers uit.


Mijn gedachten dwalen af naar Patricia.

Ze schreef me ooit een briefje.

“Mijnheer Van Veen, kunt u niet eens bij me langskomen?

Ik lig in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht.

De dokters zeggen dat ik niet lang meer te leven heb.

Kunt u niet eens een liedje voor me komen zingen? Dat lijkt me leuk.”


Het meisje was zo ziek dat ze zonder apparaten niet kon overleven.

“Kun je hier dan nooit weg, op vakantie?” vroeg ik.

“Ja,” antwoordde ze,

“als die spullen en de mensen die ze bedienen, meegaan.”

“Bestaat er een plek waar je dan naar toe kunt?”

Niet dat iemand wist.


Heb vrienden gebeld, bedrijven, organisaties.

Als het er niet was, dan moest het er toch komen?

Een huis waar meisjes als Patricia kunnen genieten van iets wezenlijkers

dan ziekenhuismuren en ramen met uitzicht op geparkeerde auto’s.

Het kon er komen!

Maar het zou jaren langer duren dan Patricia te leven had.

Moest haar dat vertellen.

Ze keek me met verbaasde ogen aan, pakte mijn hand,

en gaf me, zoals alleen moeders dat kunnen, een knijpje.

Hoe het gekomen is, weet ik niet.

Maar toen ons “Colombinehuis” in Nederland geopend werd,

was Patricia tegen alle verwachtingen in, onze eerste gaste.

En is op die vakantienacht in ons huis overleden.

Dacht vandaag aan haar, terwijl de mannen praatten.

Ik hoop dat dat mooie nieuwe huis in Goch,

voor geen kind ooit te laat komt.


Voor info: www.alfredjkwakstiftung.de of www.hermanvanveenfoundation.nl

maandag 28 juni 2010

De twaalfde en de dertiende dag

Ook gisteren is het er niet meer van gekomen,

nog iets te schrijven.

Was er gewoon te moe voor.

Zondagochtend nog gerepeteerd,

zondagmiddag matinee,

daarna was het over.

Na een jonge borrel heb ik niets meer waargenomen,

anders dan dat ik twee uur later op de bank

met een stijve nek wakker werd.


Het was mooi.

Ontroerende reacties.

Ondanks het prachtige weer en het voetbal

toch nog gezellig veel mensen.

Kon gistermiddag eigenlijk voor het eerst

met niet-ambachtelijke ogen

naar Juliette kijken.

Het greep me naar de strot.

Had het even niet meer.

Ben geweldig trots

op iedereen die hieraan heeft meegewerkt.

Het resultaat is wonderlijk schoon.

Anders dan ik ooit geschreven heb.

Uw reacties, ook op het gastenboek,

mail en fax,

doen goed.

We durven nu wel verder.

Eind augustus pakken we haar weer op

en spelen Juliette op de openingsdag

van het nieuwe studiejaar in het Koninklijke Conservatorium te Den Haag.

Daarna laten we ons werk in Brussel zien,

Palais des Beaux Arts, Paleis van Schone Kunsten.

Zo is het ook.

Ik meen, 10, 11 en 12 september, op 12 twee voorstellingen.

Kaarten aan de zaal.


Daarna naar Parijs.

Waar precies is nog niet duidelijk.

We praten met drie theaters.

Michel is terug naar Parijs,

Angel naar Amsterdam,

Lilja naar Reykjavik,

Gaëtane op weg naar de zon,

Tycho in de weer met een zomerfestival,

Merlijn aan de slag voor onze tentoonstelling in Emmerich,

waarna Roger zijn koffers pakt voor Spanje,

Tiziana denkt over Japan,

Anneke gaat naar Londen,

en Erke ligt nu op het strand van Scheveningen.

Ik twijfel nog.

Blijf ik hier of ga ik ook?

In ieder geval: vanmiddag naar de huiskamer.

Om te kijken naar, waarvan ik denk

dat het een bijzonder lastige wedstrijd wordt.

Voor zover groet ik u hartelijk.

En leuk, dat u meelas.


PS: Ursul, bedankt nog voor je tips.

Pico bello.

zaterdag 26 juni 2010

De elfde dag

Het is er gisteravond laat niet meer van gekomen

om nog wat te schrijven over de tiende dag.

‘s Middags een doorloop op het toneel gedaan,

in aanwezigheid van de directeur van Singer Theater te Laren.

Zijn reactie: “Gefeliciteerd. Prachtig. Ik weet niet wat te zeggen.”

Goed te horen.

Heb Sinaasappel hoog zitten,

Reinier Sinaasappel runt hier het museum,

de beeldentuin en het theater.

Is van vele markten thuis, zoals je zegt.

Bemoedigend.


‘s Avonds voor een zomers gekleed publiekje

Juliette laten zien.

Kon niet meer roepen: “Stop.”

Of wat dan ook.

Zitten blijven waar je zit.

Mens, wat is het heel veel makkelijker

om óp het toneel te staan

en je werk te zingen,

dan er naar te kijken.

Voelde mijn hart in mijn polsen bonken.


Ze komt toch wel op?

Ze draait toch wel om?

Hij is z’n tekst toch niet kwijt?

Waarom zo’n lange stilte?

Wat is er met de boventitel?

Is er een dia zoek?

Had dat toch nog even moeten repeteren.

Kun je dat zo óók begrijpen?

O God, ze krijgt haar jurk niet dicht.

Zou ze zien dat haar veters los zitten?

Naar het midden, naar het midden.

Kan de muziek wat harder?

Hoe laat ik hem dat weten?

Nee, hier moet het doek niet dicht.

Of toch?... Eigenlijk beter.


Het was voorbij.

Even doodstil.

Veel harder kunnen 82 mensen niet klappen.

Meer staan kunnen ze niet.


Trots als een vader bij het kerstspel van zijn kinderen

zal ik vanavond weer willen opspringen

en me afvragen: “Waarom deed ik niet mee,

als Rudolf Nureyev?...”

donderdag 24 juni 2010

De negende dag

Vandaag de laatste repetitie in de Schaapskooi,

zo heet de plek waar wij altijd repeteren.

Wat gasten uitgenodigd om proef te kijken.

Een Amerikaan, iemand uit Zuid-Afrika, de buurvrouw.

Er was na afloop dus applaus.

Daardoor zelfs een encore.


Tijdens het eten gaan we de afgelopen dagen met elkaar evalueren.

Wat heeft wie nog op het hart?

Moeten we misschien toch?

Of anders zo?

En hoe anders wordt het

met geluid en licht?

En het decor?

En wat doet de ruimte als we meer meters hebben voor onze stappen?

Ieder zijn zegje.


Voor sommige verkledingen is er nog wat te weinig tijd.

En nu de ruimtes groter worden, moet ik daar nog wat op vinden.

Lastig is ook, in zo’n relatief kleine ruimte,

het, als je van het toneel bent, blijven in je rol

zodat je, als je al op bent, niet telkens weer je personage moet worden.


Wat deze afgelopen weken heel goed heeft gewerkt, was,

dat als we vastzaten, niet wisten hoe wat precies te zeggen,

herinneringen functioneren.

Hoe zei je vader dat?

Je moeder?

Hoe was dat voor jou?

Toen je moest beslissen bij haar of hem weg te gaan?

Hoe ging je om met jóuw verlies?

Met jouw vreugde toen je hoorde dat ze zwanger was.

Herinner je. Stel je voor!


De kunst van het spelen is in mijn optiek vooral

de kunst van het ervaren.

Hoor me vaak zeggen: “Stel, je bent een zeiler.

Dan is het vooral de kunst, de wind te voelen.

Hij bepaalt wat mogelijk is.”

Zo is dat ook met taal, beweging en muziek.

Jouw reactie is volstrekt afhankelijk van dat

wat je tegenspeler je aanreikt,

de omgeving met je doet, het verhaal je zegt.


Zat tussen de middag stomtoeval aan een tafel

met een solozeiler, Maarten Jamin,

kampioen der kampioenen tijdens de Primus Inter Paris.

Hij is de beste van de wereld in zijn klasse.

Ik vertelde hem van mijn visie op zijn specialiteit.

Hij kon dat volledig beamen.

Voor hem is het als het ware een dialoog met de wind.

En is een dialoog niet anders dan

het horen van elkaar?

Waardoor je leert begrijpen

waarom een ander is zoals hij is?


En dat is vaak niet veel anders

dan jij bent.

Zijn kerk heet moskee,

haar brood rijst,

zijn koffie thee.

Dwaal ik af?


Verheug me op de dag van morgen.

’s Middags een try-out met alles op en aan.

’s Avonds voor een geïnteresseerd publiekje.

Dus misschien, tot morgen!

woensdag 23 juni 2010

De achtste dag

Het is nu tien over half acht.

De zon verdween zojuist achter een verbaasde wolk.

Hoe ik bij verbaasd kom, heeft waarschijnlijk te maken

met het feit dat ik zojuist 1 glas te veel gedronken heb.

We keken met elkaar voor het eten naar

een videoopname van de doorloop.

Heb me geloof ik op de eerste dag al verbaasd over

hoe acteurs in staat zijn

bijna in een handomdraai

iemand aan te spreken die ze blijkbaar ook zijn.

Zag zojuist Margot Fonteyn met een ander gezicht dan het hare.

Zoals dat ook gold voor Charlotte.

Twee mensen die niet meer bestaan

en nu opeens weer in een andere gedaante

tot leven lijken te komen.

Intrigerend.

Michel Voletti, die de engel in postbodegedaante speelt,

doet ons herinneren aan de tijd die we hebben.

Hij wijst ons met droge zinnen

op het feit dat niemand weet

hoeveel nog?

Voor wie komt hij in dit stuk?

Het blijft een vraag die alleen u

kunt beantwoorden.

Hoop u te mogen begroeten in Singer Laren.

Vrijdagavond om 21 uur,

of zaterdag om 21 uur,

of zondagmiddag om 15 uur.

We hebben rekening gehouden met het voetbal

zodat ik u kan vragen:

voor wie dacht u dat hij of zij kwam?

Tot morgen.

dinsdag 22 juni 2010

De zevende dag

Een week zijn we onderweg met Juliette.

Halverwege voorbij.

Vrijdagavond een publieksrepetitie.

Zaterdagavond om 21 uur een eerste voorstelling.

Zondagmiddag om 15 uur een tweede voorstelling.

Morgen spelen we op camera om daarna met elkaar te kijken

wat we hebben en/of moeten.

Hoop van harte dat u komt kijken

omdat in het verschiet,

Juliette vooralsnog niet

in Nederland te zien zal zijn.

In de herfst spelen we met haar

in Palais des Beaux Arts in Brussel,

om daarna het stuk aan de Parijzenaars te laten zien.

Hoe dan verder, ligt aan hen.


Vandaag vooral aandacht besteed

aan de rol van Charlotte Andersson,

de privé secretaresse van Margot Fonteyn.

Ex-danseres, verliefd op een man uit brieven

die niet aan haar geschreven zijn.

Margot vroeg haar deze namens haar te beantwoorden

waardoor er een onoplosbaar dilemma lijkt te ontstaan.

Lilja Hermannsdóttir, de dochter van een andere Herman,

speelt Charlotte hartveroverend.

Speelde met haar twee voorstellingen,

waarin zij Alfred Jodocus Kwak onnavolgbaar grappig

gestalte wist te geven.

Niet voor te stellen

als je haar nu Charlotte ziet zijn.


Morgen meer.

Morgen weer.

maandag 21 juni 2010

De zesde dag

Het wordt zomer.

Niet alleen buiten,

ook in onze harten.

Als tijdens de doorloop

uit de luidsprekers Rita Zipora’s stem klinkt

met Léo Ferré’s “Tu me dis jamais rien”,

nadat Gaëtane, die Margot speelt,

net verteld heeft van toen ze daar stond,

in die kerk, op het altaar,

en haar bruidegom niet kwam opdagen,

slechts een simpel briefje liet afgeven met

“Sorry. Ik kan niet met je trouwen”,

zitten wij daar,

in onze studio,

acht volwassen mensen,

met pijn in onze botten.

Daar sta je dan,

voor je hele familie,

de wereldpers,

verlaten door iemand

die kiest voor de voorkeur van zijn moeder,

een vrouw van goede huize,

en niet zo’n toch eigenlijk ordinaire danseres.

Niet verwonderlijk

dat Margot daarna kiest voor de zekerheid van iemand

die wél belooft op tijd te komen.


We sleutelen door.

Er ontstaat ritme.

Een ensemble.

De kostuums zijn klaar.

De muziek.

Morgen beginnen we aan het geluid en het licht

en de boventitels,

want zoveel Frans is ook voor mij,

die deze taal der liefde ook in de keuken spreekt,

in zo’n tempo niet makkelijk te volgen.


Voor zover.

A demain.