maandag 10 mei 2010

Karakteristiek

 

Voor alles was hij priester.

Groter dan de zorg

voor de wetenschappelijke ontwikkeling

van de aan hem toevertrouwde jongens,

was zijn bekommernis

om hun religieuze vorming.

Hij begreep zijn taak

allereerst als een apostolische.

Nooit zag men de pater

blinkender van blijdschap

dan na een voltallig bijgewoond misoffer

of een gezamenlijk heilige communie.

Groot was zijn ontsteltenis dan ook

toen hij vernam dat Broeder Johannes

zich vergrepen had

aan één van zijn jongens.

Johannes wegen waren ondoorgrondelijk.

Johannes was ziek,

misselijkmakend ziek.

De pater schreef een brief

aan de hoogste instantie

en wacht nu al bijna vijftig jaar

tevergeefs op antwoord.

Zo ik las en begreep.

maandag 3 mei 2010

Gebed


Zie de bloemen de bomen

de lucht de vogels

het grasland

de Bergen

de zee

zie de grappige dingen

als er tijd over is

zie de boeken

de schilderijen

de gedichten

ze hoeven niet goed te zijn

zie de woorden

zie de weeffouten

zie de drank

vooral de rode droge wijn

zie de vissen

de schaduwen in het bos

zie het pad

de weg die dood loopt

zie de vaders moeders

de grijze mensen

zie het grind om het huis

zie het dak de schoorsteen

zie de kinderen

zie

 

Herman van Veen

 

 

maandag 26 april 2010

Koud

Mijn dochter heeft met haar man haar huis verkocht

en daarna een huis gekocht.

Iets verderop in dezelfde straat.

Wat groter, wat ruimer.

Ze kunnen er nog niet in.

Daarom wonen ze met hun twee kinderen tijdelijk bij ons.

De jongste, een jongetje van vijf,

mag ik graag plagen. 

‘Jee, wat is mijn wang koud’,

zeg ik elke dag weer.

Dan klimt hij op mijn schoot,

hijst zich omhoog,

slaat zijn armen om mijn nek

en geeft me op die zogenaamde koude wang,

een kusje. 


Ben eergisteren thuis gekomen van een lange reis.

Utrecht, Dresden, Praag, Wenen,

Graz, Salzburg, Vaduz, Utrecht.

Vliegen ging niet i.v.m. de ongesteldheid

van de vulkaan Eyjafjallajökull op IJsland.


Toen ik thuis kwam

ging ik op zoek naar de kleinkinderen.

Vond ze in elkaar verstrengeld,

op de bank in de haardkamer voor de tv.

‘Hallo opa’, zeiden ze stereo.

‘Hallo jongens.’

‘Je zult wel hele koude wangen hebben’,

mompelde de jongste.

maandag 19 april 2010

Weg

Op een late zomeravond

werd het paterke verliefd op het nonneke

en het nonneke op het paterke.

En ze vroegen aan God:

‘Wat nu?’

En God stuurde hen toen

een piepklein zonnestraaltje

dat scheen op een vogelnestje in de heg.

En ergens in de verte

kon je klokken horen luiden.

En het paterke keek naar het nonneke

en het nonneke keek naar het paterke.

En door hun tranen heen

kwamen lichtjes in hun ogen.

Ze zeiden: ‘Dag’ en ‘Dank je wel’,

wandelden arm in arm

over het lange pad

met de rozen,

weg van het grote grijze klooster.

 

Ze huurden een huisje in een straat

en daar wonen ze nu nog

met een jongetje dat op zijn moeder lijkt

en een meisje op een opa van haar vader.

Het jongetje heet Paterke

het meisje Truus.

En elke ochtend als ze opstaan,

gaan ze met z’n viertjes hand in hand

in hun tuintje

dat zo hoog is als de hemel

in een kringetje staan

en geven ze,

ieder op hun beurt,

een knipoog naar de zon.

maandag 12 april 2010

Inzicht

De duiven vliegen tot aan de wolken

en slapen in de kerk.

Boven de wolken zweven engelen

en daarboven in de hemel

woont God temidden van de dode mensen

die weer levend zijn geworden.


Zo zat het volgens mijn opa allemaal in elkaar.

Nu ik zelf opa ben

weet ik dat dat niet zo is,

dat van die engelen en God.

Boven de wolken trekken vliegtuigen

strepen door de lucht

en de hemel erboven

is onbeschrijflijk groot

en vooral gevuld met raadsels.

Van God die op de kerstman lijkt,

is nooit iets vernomen,

ook al beweren sommige mensen

taal en teken van hem te hebben ontvangen.

Ik denk dat ze dat geloven.

‘Weten’ is geheel iets anders.

In wezen vind ik het wel jammer

dat de beelden die mijn opa toverde

niet bestaan

want het is wel gezellig:

engelen die op wolken slapen

en zingen van ‘In de mensen een welbehagen’

en ‘Gloria in Excelsis Deo’.

God die met een glimlach

verstandig zit te wezen

met al  die verbaasde mensen

die blij zijn dat ze weer bestaan.


Als kind heb ik in gedachten veel met God gebabbeld.

Hem van alles gezegd

en vooral gevraagd.

Met Sinterklaas en kerstmis,

voor mijn verjaardag,

en dat mijn moeder zou beter worden, en zo.

En als ik dan kreeg wat ik wilde,

bedankte ik hem in mijn hoofd.


Soms doe ik dat nog wel eens.

Bij groot geluk of groot verlies.

Goed, je weet dat het gedachten zijn.

Niet 'maar' gedachten,

want inmiddels kunnen we weten

dat gedachten

gedacht, gezegd of in gebed

wel degelijk iets bewegen.

Meetbaar,

in golven,

op weg naar wat onbestaanbaar leek.

maandag 5 april 2010

Onder ons gezegd

De meisjes die de kamer doen

komen uit de Filippijnen.

De portier bij de draaideur

uit Bosnië.

De juffrouw van de balie

werd in Bangladesh geboren.

De taxichauffeur

in Marakesh.

De grondstewardess bij de koffers

komt uit Casablanca.

De strenge man bij de douane

is van huis uit Joegoslaaf.

De serveerster met de cappucino

is in Graz geboren

maar haar vader vluchtte weg uit Kongo.

Dame bij de kassa is van Praag,

de toiletten worden schoongemaakt

door drie stille Russen.

De man naast wie ik plas

is uit Israël.

Bij het controleren van mijn bagage

fronsen drie strenge Turken.

De man die moppert

dat ook ik

voor het detectiepoortje

mijn horloge af

mijn riem uit

en mijn zonnebril niet op mag hebben,

is een Oosterijker.

En ik,

ik ben een Hollander

en vlieg naar huis.


Lees hoog in de lucht

dat alleen in Oostenrijk

per jaar

38.199 hazen worden doodgereden.

Met een absolute piek

rond de paasdagen.

maandag 29 maart 2010

In deze kamer

Denk aan Jacques Brel,

aan wat er van hem over is.

Wat botten in het zand,

zijn stem in mijn ziel.

Terwijl ik ook denk

aan mijn kleine

nu grote meisje

dat ooit naast haar fiets

door de sneeuw

naar huis stapte.


In deze kamer

met het opgemaakte bed.

Even verderop

speelt iemand piano

met de ramen open.


Denk aan een terrasje bij de zee,

wat witte bloemen in een vaas.

Hoor het verkeer,

een vliegtuig in de lucht

terwijl ik ook denk

aan mijn opa

die het as van zijn sigaar op zijn schoot morste.


In deze kamer

met het opgemaakte bed.

Even verderop

speelt iemand piano

met de ramen open.


Het meisje met de hoofddoek

dat de kamers doet

schraapt haar keel.

De verwarming tikt.

Een duif schijt op de vensterbank

terwijl ik denk

dat ik niet vergeten moet

tandpasta te kopen

en een nieuw horlogebandje.


In deze kamer

met het opgemaakte bed.

Even verderop

speelt iemand piano

met de ramen open.



Terwijl ik denk

hoe de katholieke familie

nu een andere dimensie heeft gekregen.


Bijna tweeduizend jaar

heeft in die kerk de opvatting geleefd

dat de gelovigen op aarde

met de heiligen in de hemel

en de zielen die nog in loutering verkeren,

onderling verbonden zijn.

Die band is het gebed.

Het volstaat nu niet om om vergeving te bidden

nu we weten

dat vele priesters

niet als heiligen geleefd hebben.

Volstrekte opening van zaken is geëist

en de schuldigen moeten niet alleen voor God

maar vooral voor de slachtoffers boete doen.


Iemand

schuift het raam dicht.

maandag 22 maart 2010

Jan

Gisteren speelden we in Lübeck

Moe en gelukkig zat ik na afloop

in het hotel

op een makkelijke bank

voor de tv

te kijken naar het journaal.

Twintig minuten narigheid

met daarna iemand die vertelde

dat de lente in de lucht hing.

‘Mooi visweer,’ zou mijn vader zeggen.


Moest zoals zo vaak

aan hem denken.

Dode ouders duiken in alles wat we doen en denken steeds weer op.

Het is onmogelijk hen te vergeten.

Zeker rond zo’n verjaardag.

Mijn autobio staat er vol van.


Soms denk ik: 

hoe zou mijn vader reageren op de gebeurtenissen van vandaag:

de afbrokkeling van zijn sociaalstaat Nederland,

de opkomst van de nieuwe ‘bewegers’,

de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd,

de schandalige verrijking van bankdirecteuren,

de Q-koorts?

Zijn slapen zouden bonzen,

zijn lippen smal worden.

Hij zou actie voeren,

de straat opgaan en demonstreren.

En mijn moeder zou dan vragen:

‘Voor welk café ga je demonstreren, Jan?’

zondag 14 maart 2010

Oud?

Vandaag word ik 65.

Stokoud vond je dat vroeger,

65.

Dan was je bijna dood,

bejaard,

een oude man,

goed voor de sloop.


Hoe anders voelt het.


Oud is de vrouw

die laatst in Leipzig

na afloop van onze voorstelling

eventjes op 4 hoog

een babbeltje kwam maken

en een handtekening vragen

voor een kleinkind in Frankfurt.

95 was ze,

zilver witte haren,

bescheiden opgemaakt,

slank,

helder als water.

Ze maakte grapje na grapje.

“Wel,

tot de volgende keer”, 

zei ze toen ze afscheid nam

en de 4 trappen in de Opera weer afstapte.

Wie wil er niet zo oud worden?


Oud is een relatief begrip.

Wie kent geen mensen die met 25 jaar

al stok zijn,

nauwelijks vreugde hebben in hun bestaan,

zich piekerend door het leven slepen?

Jonge mensen

die nooit kind lijken te zijn geweest?

Herinner me een jongen in de klas

die als beroepsmilitair

in dienst wilde

omdat je in het leger

veel vroeger met pensioen mocht gaan.


Voel me niet oud.

Wel is waar

dat er geen eind komt aan mijn herinneringen.

Met het verslijten van de tijd

worden ze almaar

nauwkeuriger.


Zo herinner ik me van de week,

hoe oud moet ik geweest zijn... 4 jaar...

dat ik voor het eerst op de rug van een paard mocht zitten.

De knol van de groenteboer.

Toen mijn kleinzoon van de week vroeg

of hij op de pony mocht

tilde ik hem op.


En daar kwam dat beeld

van de groenteman,

zijn handen,

zijn geur,

de rug van het paard,

zijn manen.

Hoe dat hele grote dier ademhaalde

kon ik voelen met mijn benen

alsof het gisteren was.


En gisteren...

heb wel een uur gesproken met een man

waarvan ik me met geen mogelijkheid kan herinneren

hoe hij heette en waarover dat gesprek ook alweer ging.

maandag 8 maart 2010

Morgen

Morgen ga ik

vissen,

schrijf ik een dik boek

over meisjes

in de renaissance.


Morgen ga ik

maaien,

schilder ik een doek

over de geur van boterbloemen.


Morgen ga ik 

fietsen,

studeer ik de partita’s

van bovenmeester Bach.


Morgen ga ik

zitten,

staar ik me een plaatje

een beeld van antiopen in het veld.


Morgen 

doe ik de gordijnen open,

zie ik je lopen met de hond,

de dikke voorjaarstakken,

de vogels,

de schapen in het hoge gras.


Morgen ga ik zonder jas naar buiten,

hoor ik de trein naar Utrecht

waar ik,

toen er nog paard en wagens reden,

ooit een schoffie was.


Morgen ga ik

zingen,

timmer ik een trap,

leer ik vliegen over zeeën,

roep ik

net als Dikkertje Dap

’s morgens vroeg om kwart over zeven:

'Raai eens wat ik heb gekregen:

zoveel zonnestralen,

dikke vlokken,

onweer, regen...

morgen sta ik paf.'