De duiven vliegen tot aan de wolken
en slapen in de kerk.
Boven de wolken zweven engelen
en daarboven in de hemel
woont God temidden van de dode mensen
die weer levend zijn geworden.
Zo zat het volgens mijn opa allemaal in elkaar.
Nu ik zelf opa ben
weet ik dat dat niet zo is,
dat van die engelen en God.
Boven de wolken trekken vliegtuigen
strepen door de lucht
en de hemel erboven
is onbeschrijflijk groot
en vooral gevuld met raadsels.
Van God die op de kerstman lijkt,
is nooit iets vernomen,
ook al beweren sommige mensen
taal en teken van hem te hebben ontvangen.
Ik denk dat ze dat geloven.
‘Weten’ is geheel iets anders.
In wezen vind ik het wel jammer
dat de beelden die mijn opa toverde
niet bestaan
want het is wel gezellig:
engelen die op wolken slapen
en zingen van ‘In de mensen een welbehagen’
en ‘Gloria in Excelsis Deo’.
God die met een glimlach
verstandig zit te wezen
met al die verbaasde mensen
die blij zijn dat ze weer bestaan.
Als kind heb ik in gedachten veel met God gebabbeld.
Hem van alles gezegd
en vooral gevraagd.
Met Sinterklaas en kerstmis,
voor mijn verjaardag,
en dat mijn moeder zou beter worden, en zo.
En als ik dan kreeg wat ik wilde,
bedankte ik hem in mijn hoofd.
Soms doe ik dat nog wel eens.
Bij groot geluk of groot verlies.
Goed, je weet dat het gedachten zijn.
Niet 'maar' gedachten,
want inmiddels kunnen we weten
dat gedachten
gedacht, gezegd of in gebed
wel degelijk iets bewegen.
Meetbaar,
in golven,
op weg naar wat onbestaanbaar leek.