Mijn Marokkaanse bakker vindt het machtig interessant dat ik op het podium sta.
Nadat hij me heeft begroet met een vriendelijk goedendag
of eigenlijk: “Salem Aleikum!” (Alle liefde van God voor jou.)
zegt hij altijd: “En, buurman, nog opgetreden?”
Hij is dan niet tevreden met een kort, oppervlakkig woordje,
hij wil een gedetailleerd verslag, het liefst met praktijkvoorbeelden.
Dus waggelde ik vanmorgen als een vreemde eend door zijn winkel heen,
“Spetter pieter pater” zingend.
Gister speelden we de tryout van Alfred Jodocus Kwak,
het sprookje in eend grote terts.
Een oud verhaal in een nieuw jasje
dat we in oktober met het Residentie Orkest zullen vertellen.
We repeteerden twee dagen in de Schaapskooi,
Herman zijn theater- en schilderwerkplaats, midden in Groot Waterland.
De voorstelling was een groot succes
en er waren zelfs mensen uit München komen rijden om het te zien.
Mijn bakker glimlachte,
maar toen het liedje voorbij was
werd hij plotseling weer heel ernstig en vroeg:
“En, heeft meneer Van Veen jou nog interessante dingen geleerd?”
“Ik heb geleerd dat alles op het podium een begin, een midden en een eind moet hebben.”
“Hoe bedoel jij?”
Dat vraagt hij altijd, 'hoe bedoel jij'.
Dat betekent niet dat hij het niet begrijpt, dat betekent dat hij het wil zien.
Dus liet ik in de winkel, net als in de voorstelling, een mondscheet.
“Zag u het?” vroeg ik.
“Kijk, eerst voel je de scheet opkomen, dan laat je `m en daarna ruik je hem.
Als het publiek niet eerst ziet dat hij eraan zit te komen,
mis je eigenlijk een schakeltje.
Als je hem niet zichtbaar ruikt, is het ook niks.”
Hij vond het prachtig.
Nu wilde hij zelf ook iets doen met een begin, midden en eind.
“Wacht, wacht!” riep hij, en hij verdween in zijn magazijn.
Toen riep hij: “Tatatata!!! Hier komt Youssef!”
Daarna kwam hij te voorschijn met zijn handen in de lucht en maakte een dansje.
Daarna boog hij diep en verdween weer in zijn magazijn.
Hierna kon hij niet meer ophouden met lachen.
Wat ik dit jaar vooral heb geleerd is
dat ik vlak voor aanvang van de voorstelling al mijn angst en perfectionisme loslaat.
Ik zeg dan tegen mezelf:
“Max, het is al heel wat, als er één iemand het komend uurtje een keer glimlacht.”
Bij het eerste liedje van Alfred verscheen de glimlach,
en bij de scène met de bode (Gaëtane Bouchez) en de koning (Boy Ooteman) de schaterlach.
En na afloop heb ik wel zestig glimlachjes op me af gekregen en even zoveel bedankjes.
Mijn bakker heeft nog drie acts gedaan met een begin, midden en eind,
daarna kreeg ik mijn boodschappen.
En dat is ook het eind van deze weblog, want nu ga ik echt ontbijten.
Of toch niet, want Boy wordt wakker (die heeft bij mij gelogeerd)
en zegt, met een nog slaperig hoofd:
“Max, het leven is in drieën.
Je wordt geboren, je leeft en je gaat dood.”
Ook hij heeft het goed begrepen.
Max