maandag 6 juli 2009

Evenbeeld

God zou de mens
naar zijn of haar evenbeeld
geschapen hebben.
Dat maakt God
tot iemand
met veel gezichten,
dacht ik vanmorgen
toen ik in het bakkerswinkeltje stond,
‘Le bon goût du pain’.
Voor mij wachtten
drie identieke
Engelse dametjes
op leeftijd,
zo weggelopen
uit een boek van Harry Potter.
Alle drie zilvergrijs,
alle drie in een andere
maar dezelfde bloemetjesjurk,
sandalen,
alle drie droegen ze een tasje
aan hun linkerarm
en hadden ze een bril.
Met elkaar schatte ik ze
op 240 jaar.

‘Troi croissants, s'il vous plaît’,
vroeg de middelste.
‘Ja, trois croissanta?’ zeiden de andere twee in echo.
‘Dat is €2,40’, zei de bakkersvrouw.
Verwarring.
De dametjes fluisterden.
Drie portemonnees gingen open.
Hoe betaal je met z’n drieën
€2,40?

De trein vertrekt om 9.20 uur uit Amsterdam,
maakt een stop van 17 minuten in Utrecht.
Hoeveel minuten ben je dan te laat in Antwerpen
als je trein naar Brussel
4 minuten na je geplande aankomst vertrekt,
waren vragen die je kreeg op de lagere school.
‘Wie zegt dat ik naar Brussel wil?’
schreef ik dan soms op als ik het antwoord niet wist.

De drie dames stelden prijs op de croissants.
Na wat gerinkel kwam de drieling eruit,
ze betaalden gepast,
zouden het verschil op het pleintje
wel met elkaar verrekenen.
De dames wandelden de winkel uit.
‘Au revoir’.
‘Uw croissants’, riep de bakkersvrouw ze na.

‘Oh dear’, zei de achterste
en kwam met een glimlach terug
om haar vergeten broodjes op te halen.
‘Oh, dear’, zeiden de andere twee.

Terwijl ik mijn bestelling deed
zag ik in de spiegel achter de stokbroden
een man met een bulldog binnenkomen.
De gelijkenis was treffend.
Het is biologisch bewezen
dat honden hun bazen
op gelijkenis uitkiezen.

Als God de mens
naar zijn of haar evenbeeld geschapen heeft
dan lijkt God, logisch ook,
en dat zeg ik met alle respect,
op een bulldog.

‘Vier euro’, zei de bakkersvrouw
terwijl ze me vier chocoladebroodjes gaf.
Lijken mensen ook op wat ze eten?
En als dat zo is,
lijkt God dan ook ...?
maandag 29 juni 2009

De sjah

Morgen is het dinsdag.
Vannacht heeft het geregend.
Het Franse pleintje
ligt er opgefrist bij.
Zit in de vroege morgen
op een terras
met warme croissants en koffie.
De man naast me
in zijn blauwe hansop
bestelt een tweede Pastis de Marseille.
Alcoholpercentage: 45%.
Het is negen uur in de morgen.
Ik blader door een Paris Match,
zie gruwelijke foto's van de protestmars
tegen de verkiezingsuitslag in Iran.
Mannen hakken met knuppels in
op demonstranten.
Na het groen van de hoop het bloed van de repressie.
Gesluierde vrouwen
stormen op politieagenten af
om hun zonen tegen de klappen te beschermen.
Een middeleeuws ogende foto
van een grimmig kijkende Ajatollah Ali Khamenei.
Herinner me een stukje van zoals men zegt,
mijn veel te vroeg gestorven Vlaamse vriend
Frans 'Sus' Verleyen.
Op zijn grafsteen staat:
'Het beste is
het raadsel te vergroten'.
Zijn artikel, dat hij meen ik in 1980 schreef,
beschrijft zijn bezoek aan de Sjah van Perzië.
Een gesprek dat hij met lange tanden inging.
Had helemaal geen zin om te gaan luisteren
naar vermoedelijks slechts wat ceremoniële woorden
van een alleenheerser, die zijn rivalen liet fusilleren.
Hij bleek een vooroordeel gekoesterd te hebben.
De sjah was een persoonlijkheid
waar niet naast te kijken viel.
En hij ontvouwde reusachtige denkbeelden
vol pipelines, verbindingen met de Trans-Siberische Spoorweg,
gedwongen alfabetisering, snelle kweekreactoren,
petrochemische technologie.
Hij verliet het paleis nogal overhoop gehaald
door die confrontatie met een Caesar,
een nieuwe Mustafa Kemal Pasha Atatürk.
een vorst, die vrouwen zonder zwarte sluier wou doen lopen
en ze liever een skipak zag aantrekken
of in bikini op het strand.

De koning is dood ...
vrijdag 26 juni 2009

In memoriam

Michael Jackson Mort!

kopte de Nice Matin vanmorgen in grote zwarte letters op de voorpagina.

De Nederlandse- en Duitse ochtendkranten hadden het ‘nieuws’ hier nog niet.


Michael Jackson was altijd in ons leven.

Van zijn kindsaf aan volgden wij met bewondering

zijn pasjes, liedjes, escapades,

wilde verhalen, zijn wit-worden.


We zagen hem in clips, interviews,

in stadions, rechtszalen

weggedoken onder een hoed,

achter sjaals, bodyguards,

zonnebrillen en mondkap.


Een danser was hij, lichtvoetig als Fred Astaire;

een zanger was hij, The Surpremes in één persoon.

onzijdig leek hij, als een antiek levend Grieks jongensbeeld.

 

Hij was lang het idool van mijn jongste zoon.

‘Papa heb je het gehoord: Michael Jackson is dood.

Ik vind het heel heel erg’,

stamelde hij met verstikte stem door de telefoon.


Beelden schieten door mijn hoofd.

Zie mijn mannetje

in een schitterend goudkleurig Michael Jackson-kostuum

als zesjarig jongetje door de kamer moonwalken,

playbackend met een afwasborstel als microfoon.

Dertig jaar is mijn zoon nu.

 

Met de dood van Michael Jackson

komen ook sommige dierbare herinneringen weer tot leven.


Zie hem nog wel dansen

met wat dartelende faunen in een hemels

Neverland.

maandag 22 juni 2009

Hoe dit heet

Een vrouw veegt het terras,
ze neuriet iets van vroeger.
De geur van koffie met kaneel.
Een vlieg die gecharmeerd is
van mijn wiebelende blote voet.
Een chocoladebroodje.
Twee citroenvlinders
die van bloem naar bloem dwarrelen.
Een vliegtuig hoog boven in de blauwe lucht
trekt een spoor door de hemel.
Wie zitten daar nu in?
Wat denken zij?
Hoe bang zijn zij?
Iemand verderop maait het gras
met een haperende maaier.
Een lichte bries
komt van de bergen.
Een hommel
nestelt zich op de ochtendkrant.
Een bange hond blaft schor.
Vogels fluiten.
Op de tafel dozen boeken
en papieren om te lezen
en te schrijven.
Een ekster krast een merel weg.
Een kikker kwaakt.
Een libelle koningsblauw
raakt het water.
Een hagedis vlucht
voor een andere hagedis
tussen keien.
Lichte wolken drijven boven zee
in onze richting.
Een haan kraait ongeveer
goedemorgen.
De vrouw smeert
‘protect bronze’ op mijn kale hoofd
en een veegje op mijn neus.
Iemand stopt met maaien.
Geen vliegtuig in de lucht.
De vogels zwijgen.
De hommel is vertrokken.
Eén ogenblik kun je de bloemen horen.
Hoe heet dit ook al weer,
dit beleven?
Vakantie?
dinsdag 16 juni 2009

Stenen

Was gisteravond in het statige slot Zeist.
We speelden daar in 1968 onze allereerste voorstelling.
Te gast op het jaarlijkse Sommerfest
van de Duits-Nederlandse handelskamer.
Een bont gezelschap van Duitse en Nederlandse ondernemers
toastte daar met elkaar op het afgelopen
en een voorspoedig nieuw jaar
waarna er gebuffet kon worden.
Raakte aan de praat met een jongeman
die onderhoudstechnicus bij de KLM was
en zijn charmante vrouw uit Leipzig.

We keuvelden over toen de muur er nog stond,
hoe het daar was en nu geworden is.
Vertel haar van de persconferentie bij ons eerste bezoek aan de DDR
en de journalist die me toen vroeg,
waar iedereen bij was,
wat ik in het socialistische rijk kwam doen.
“Eén steen uit de muur zingen,” antwoordde ik
en hoe daar schamper om gelachen werd.
Vertelde haar van de man uit Leipzig die,
ik weet niet hoeveel jaar later,
toen de muur gevallen was,
op zijn fiets naar Holland kwam
om me één steen uit de muur te brengen,
die ik nu gebruik als presse papier.
We lachten om het verhaaltje dat ik in DDR-tijden grapte.
Een Oost-Berlijns hondje zegt tegen een West-Berlijns hondje
terwijl ze tegen elkaar staan aan te zeiken:
“Stond hier vroeger niet iets tussen?”

De jonge voormalige Oost-Duitse vrouw
werkt nu in Nederland bij de Duits-Nederlandse handelskamer.
Ze sprak over haar vader die zijn leven lang
met specie onwrikbaar stenen op elkaar gevoegd had.
Hij metselde ooit een flink stuk van de muur.
64 is hij nu, haar vader.
“En …?
Hoe gaat het met hem?”
“Beschissen”, antwoordde de vrouw,
“hij is werkeloos.”
donderdag 11 juni 2009

Begin-midden-eind

Mijn Marokkaanse bakker vindt het machtig interessant dat ik op het podium sta.

Nadat hij me heeft begroet met een vriendelijk goedendag

of eigenlijk: “Salem Aleikum!” (Alle liefde van God voor jou.)

zegt hij altijd: “En, buurman, nog opgetreden?”

Hij is dan niet tevreden met een kort, oppervlakkig woordje,

hij wil een gedetailleerd verslag, het liefst met praktijkvoorbeelden. 

Dus waggelde ik vanmorgen als een vreemde eend door zijn winkel heen,

“Spetter pieter pater” zingend. 


Gister speelden we de tryout van Alfred Jodocus Kwak,

het sprookje in eend grote terts. 

Een oud verhaal in een nieuw jasje

dat we in oktober met het Residentie Orkest zullen vertellen.

We repeteerden twee dagen in de Schaapskooi,

Herman zijn theater- en schilderwerkplaats, midden in Groot Waterland.

De voorstelling was een groot succes

en er waren zelfs mensen uit München komen rijden om het te zien. 


Mijn bakker glimlachte,

maar toen het liedje voorbij was

werd hij plotseling weer heel ernstig en vroeg: 

“En, heeft meneer Van Veen jou nog interessante dingen geleerd?”

“Ik heb geleerd dat alles op het podium een begin, een midden en een eind moet hebben.”

“Hoe bedoel jij?” 

Dat vraagt hij altijd, 'hoe bedoel jij'.

Dat betekent niet dat hij het niet begrijpt, dat betekent dat hij het wil zien.

Dus liet ik in de winkel, net als in de voorstelling, een mondscheet. 

“Zag u het?” vroeg ik.

“Kijk, eerst voel je de scheet opkomen, dan laat je `m en daarna ruik je hem.

Als het publiek niet eerst ziet dat hij eraan zit te komen,

mis je eigenlijk een schakeltje.

Als je hem niet zichtbaar ruikt, is het ook niks.”

Hij vond het prachtig.

Nu wilde hij zelf ook iets doen met een begin, midden en eind. 

“Wacht, wacht!” riep hij, en hij verdween in zijn magazijn.

Toen riep hij: “Tatatata!!! Hier komt Youssef!”

Daarna kwam hij te voorschijn met zijn handen in de lucht en maakte een dansje. 

Daarna boog hij diep en verdween weer in zijn magazijn.

Hierna kon hij niet meer ophouden met lachen.


Wat ik dit jaar vooral heb geleerd is

dat ik vlak voor aanvang van de voorstelling al mijn angst en perfectionisme loslaat. 

Ik zeg dan tegen mezelf: 

“Max, het is al heel wat, als er één iemand het komend uurtje een keer glimlacht.” 

Bij het eerste liedje van Alfred verscheen de glimlach,

en bij de scène met de bode (Gaëtane Bouchez) en de koning (Boy Ooteman) de schaterlach.


En na afloop heb ik wel zestig glimlachjes op me af gekregen en even zoveel bedankjes. 


Mijn bakker heeft nog drie acts gedaan met een begin, midden en eind,

daarna kreeg ik mijn boodschappen. 

En dat is ook het eind van deze weblog, want nu ga ik echt ontbijten.


Of toch niet, want Boy wordt wakker (die heeft bij mij gelogeerd)

en zegt, met een nog slaperig hoofd: 

“Max, het leven is in drieën.

Je wordt geboren, je leeft en je gaat dood.”

Ook hij heeft het goed begrepen.


Max

maandag 8 juni 2009

Sandalen

Ooit woonde Maurice Ravel opnames bij
van zijn eigen strijkkwartetten.
Hij zat in de controlekamer
en deed alle mogelijke suggesties.
“Dat was echt goed”, zei hij na afloop.
“Vertel me nog even wie de componist was.”

 

Wat heb je er aan om 80 te worden
als je geen naam kunt onthouden
en je in de salon
je broek laat zakken
om achter de sofa te kakken?

 

Was je een eeuw geleden
statistisch met 50 jaar
aan het einde van de rit,
met de huidige levensverwachting
zijn we zo’n dertig jaar langer oud.

 

Bij dat ouder worden nemen onze cellen
de kleuren van de herfst aan.
Dat is maar al te waar.
Ook ik behoor inmiddels
tot de oudere mensen.
Weet meer en meer
van de dingen die voorbij gaan.
Sandalen bijvoorbeeld.

 

Sinds enkele jaren heb ik het genoegen
van mijn hersenen
onwillekeurige beelden door te krijgen
van zaken waar ik niet naar op zoek was.
Waarvan je het bestaan zelfs vaak niet vermoedde.
Beelden van herinneringen van het type:
50 jaar niet aan gedacht,
uit een laag op de bodem van je hersenen
die nu pas, in de ouderdom, ontdooit.
Die beelden maken een stroom van herinneringen los
uit, zo lijkt het, een eindeloos bewustzijn.
Helder, gedetailleerd en intens.

 

Zag gisteren zomaar in mijn hoofd
de sandalen die ik ooit droeg
toen ik tien jaar oud was.
Haarscherp op mijn netvlies.
Inclusief de zandkorrels die door het zeewater
op de bandjes waren blijven kleven.
Mijn sandalen stonden
op de handdoek van mijn moeder
op het strand te drogen.
Katwijk aan Zee.
Alsof het zojuist was.
Prachtig.

 

Het is een neurologisch gegeven
dat zenuwverbindingen
die niet gebruikt worden
afsterven.
Houd je op, je geheugen te gebruiken,
dan zal het ook zeker achteruit gaan.
Het geheugen is niet anders dan bijvoorbeeld spieren
die je door training kunt aansterken en vergroten.
Het gaat dan niet meer om het tegenhouden
maar om het behouden,
dus gewoon actief blijven.

 

Heb de sandalen aangetrokken
en ben met mijn hersenen
aan het joggen geslagen.
Omdat ik niets meer wil vergeten.

maandag 1 juni 2009

Bliksem

Als het bliksemt,
springen elektrische vonken bij onweer over

van de ene wolk naar de andere
of naar de aarde.
Gisteravond was spreekwoordelijk
de bliksem om ons huis niet van de lucht.
Er werden rondom vier uur in de nacht
in Nederland 75.000 bliksemflitsen geteld.
Wateroverlast, hagelstenen als hardgekookte eieren,
weggewaaide daken, branden, files, ontwricht treinverkeer, ...
Totale schade geschat: twintig miljoen euro.
Bij twee van onze buren
bezweek het huis onder omgevallen oude eiken.
Wij hadden mazzel,
onze eik was zo vriendelijk
net naast het huis te breken.
Veertig bomen in de tuin
knakten als tandenstokers.
Twee uur lang knetterde en donderde het.
Vloog de bliksem ons gelukkig
horizontaal om de oren.
Windstoten van 110 kilometer per uur
deden het huis schudden.
Mijn vrouw en ik stonden verbijsterd
in ons slaapgoed voor de ramen.
Overal tegelijkertijd lichtontladingen.
Je wordt er stil van.
Op zulke momenten realiseer je je,
dat je maar een pluisje bent.
Als de ‘natuur’ het op z’n heupen krijgt,
berg je dan.

Dat deed onze hond ook.
Hij zat kreunend weggedoken
onder de trap.
Blikseminslag.
Al het licht viel uit.
Onder de deuren door spoelde water binnen.
Ons rietendak gaf het op,
overal emmers.
Onbegonnen werk.
Buiten speelde zich een wonder af.
Binnen probeerden we te drogen wat er viel.
Vooral mijn vrouw.
Zij was, net als de bliksem buiten,
binnen overal te gelijkertijd.
Ík stond telkens weer tamelijk rustig te denken:
Hoe is het mogelijk?
 
Zei niet iemand ooit:
'Es sind nicht die slechtesten Ehen,
wenn ein Blitz
mit einem Blitzableiter verheiratet ist’.
Het zijn niet de slechtste huwelijken
als een bliksemschicht
met een bliksemafleider getrouwd is.

maandag 25 mei 2009

Smile

“Kunt u even glimlachen?” 

vroeg de fotograaf van de krant me na het interview. 

“Als u iets leuks vertelt”, antwoord ik, “prima”. 

Glimlachen op verzoek kan ik niet zo goed. 

Zoiets doen voor de foto vind ik vooral raar. 

Begrijp het wel. 

De fotograaf had net zo goed kunnen vragen: 

"Wilt u even jokken voor de foto?"

Dan had ik waarschijnlijk geglimlacht.

 

Veel politici en acteurs zijn zo vertrouwd met camera’s 

dat ze op commando een gezicht kunnen opzetten. 

Een bombakkes van boosheid, van verbazing, 

van geheimzinnig- of onverschilligheid, 

van blijdschap, van treurnis. 

Leuke plaatjes voor het moment, 

maar de meeste van zulke foto’s 

zullen de tand des tijds niet doorstaan. 

Omdat ze liegen.

 

Zag van de week op TV een documentaire 

over de Amerikaanse actrice Marilyn Monroe. 

Zij was als geen ander in staat 

de fotograaf het gezicht te tonen dat hij wenste. 

Zij werd daar zo goed in, 

dat ze zich na verloop van tijd 

in haar eigen spiegel niet meer herkende. 

Haar gefotografeerde gezicht 

werd haar vertrouwder dan haar eigen. 

Ook omdat de wereld 

haar zo gemaakt liever zag. 

De wereld wist niet beter.


Aan het eind van haar korte leven, 

heeft ze haar gezicht per misverstand 

ingeruild voor een doodsmasker.

 

Las in een krantenartikel over het hoofd van een Vlaamse acteur. 

Een man met een kop als een rots.

"Karakterkoppen zijn het gevaarlijkst. 

Van hen zie je zelden een slechte foto. 

Daarvoor zijn die koppen te indrukwekkend. 

Niet vaak zie je van zulke hoofden 

een beeld dat hen begrijpelijk maakt".

 

"Dus glimlach niet op verzoek van de fotograaf. 

Zorg ervoor dat je niet een acteur ziet 

waar je een mens verwacht. 

Of de theatrale actie ziet 

waar je de natuurlijke geeste had gewild".

Dat was het advies van de negentiende-eeuwse Franse fotografie-pionier 

Adolph Dis Dé Ri aan collega’s, zo lees ik, 

die bekende personen moesten portretteren.

 

Droomde vannacht van een fotograaf, 

die me vroeg met één lip te glimlachen.

maandag 18 mei 2009

Parelhoenders

Parelhoenders hebben naakte, gierachtige koppen,

een gebocheld lichaam

en met witte lovertjes bedekt verenkleed.

Op hun snavel zit nog een soort hoornige neus

en van hun wangen zakken aan weerszijden

twee bloederige lellen.

Het zijn niet moeders mooisten.

Ze lijken met elkaar op een troep omaatjes.

Kakelen oorverdovend.

Je hoort ze al van ver aankomen.

De ene hoen schreeuwt nog harder dan de andere hoen.


Parelhoenders komen in het wild alleen

ten zuiden van de Sahara voor

en bij ons op het land.

Ik vind ze vooral grappig.

Ze doen me denken aan de zusters van mijn moeder

die op verjaardagen ook zo konden keuvelen en deftig doen,

die min of meer zo gekleed gingen.

Op zondagen in zwart en wit en grijs

en soms een toefje rood, corsage of een hoed.


Verleden maand is mijnheer Vos op visite geweest

en heeft een flink deel van mijn hoenders geleend

en een spoor van veren nagelaten.

Ben naar de pluimveemarkt in Barneveld gegaan

en heb een doos parelhoender-broedeieren gekocht.

Elke dag komen er een paar uit.

Buiten adem, nat en plakkerig

liggen ze dan bij te komen tussen de eieren in de broedmachine.

Parelhoenderkuikens zijn, zo klein ze zijn,

meteen al af.

Ze hoeven alleen nog maar te groeien.

De gele bolletjes met bruine strepen

rennen meteen al als volwassen vogels.

Kakelen weliswaar niet zo hard,

maar maken meteen al deel uit van een formatie.

Ze rennen zelden alleen,

maar op een geheim teken met z’n allen.

Net als vissen doen

als ze na een onzichtbaar signaal ineens allemaal tegelijk

een andere kant opzwemmen.

“Hoe doen ze dat toch? Hoe weten ze dat?”

vroeg ik ooit aan een bioloog.

Hij zei: “Ze zwemmen achter de dikste aan.”

Mijn ogen zoeken in het broedhok

wie de dikste parelhoender van mijn parelhoenders is.

Ik zie het verschil niet.


Daar is mijn vrouw.

Ik hoor haar uit de auto stappen.

Zie hoe ze met een grote plastic tas naar huis loopt.

In die tas zie ik een doos

met misschien wel mijn lievelingsgebak.

Ik loop vanzelfsprekend achter haar aan,

gevolgd door mijn zonen en de buurman.